Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COMMUNISTISCHE PARTIJ

126

niet benoemd wórden in kommissies, ongeacht de vraag, of zij > dit wenschen, en......"

De Voorzitter viel echter den geachten spreker in de rede en merkte nuchter op: ■ „Ik moet den geachten afgevaardigde opmerken,. dat volstrekt niet kan gebleken zijn, dat de hoeren, waarover hij spreekt, niet in kommissiën worden benoemd. Daarvan kan nog geen sprake zijn, omdat, behalve aanvulling van enkele kommissies, sedert hun zitting nemen door mij alleen nog maar begrootingskommissies zijn benoemd, en volgens het gebruik daarin alleen oude leden zijn benoemd en geen .leden, die pas voor het eerst zitting hadden".

Nu zou men zeggen: deze lieden blaken van ijver en willen in de kommissiën en de afdeelingen gaarne werken. Want v. Rav. antwoordde op deze terechtwijzing: „Dan neem ik akte van die verklaring" (bladz. 645). Welnu, tegen 30 September 1919 zendt de voorzitter een schrijven aan de leden, waarin zij worden aangewezen als een der rapporteurs over de begrooting. Wat doen nu de heeren? De voorzitter zegt 30 September het volgende:

„Ik deel aan de Kamer mede, dat de heer Wijnkoop, die ingedeeld was als rapporteur in de begrootingscommissie voor hoofdstuk V van de Staatsbegrooting, mij heeft bericht, dat hij de benoeming als lid in de Commissie van Rapporteurs niet kan aanvaarden.

Ik heb den heer Wijnkoop er op gewezen, dat ons Reglement ■ van Orde de leden der Kamer verplicht in een Commissie zitting te nemen, wanneer zij daarvoor 'worden aangewezen, dat er slechts' enkele gevallen zijn, waarin men zich aan het lid- i maatschap van een Commissie kan onttrekken, en dat een zoodanig geval hier niet aanwezig is. De heer Wijnkoop volhardde echter in zijn bezwaren en wenscht niet aan het werk der Commissie deel te nemen. Nu de heer Wijnkoop in strijd met de bepalingen in het Reglement van Orde die houding aanneemt, ben ik wel verplicht een ander lid voor de Commissie voor hoofdstuk V aan te wijzen. Ik wijs dus bij deze den heer Oud aan in plaats van .den heer Wijnkoop om als lid van de begrootingscommissie voor hoofdstuk V op te treden". 1.

Duys vraagt in dit verband het woord en zegt o.a.: „De functie van rapporteur voor een wetsontwerp is er een, die I geen enkele verantwoordelijkheid medebrengt met betrekking j tot het bestuur van den Staat of welk lichaam ook.... Het bedanken als lid van een begrootingskommissie beteekent eenvoudig, dat men zich zelf een gemakkelijk baantje verschaft, maar andere leden laat werken. Wij kunnen dus nu de notulen gaan maken van hetgeen in de afdeelingen ook door die heeren wordt gezegd en zelf doet men dat niet. Daarmede is. voldoende duidelijk bewezen hoe de heer Wijnkoop ook hier weer onder den schijn van zoogenaamd „revolutionair" optreden niet anders doet dan parasiteeren op onzen arbeid. Wij kunnen nu,

Sluiten