Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COMMUNISTISCHE PARTIJ

132

medewerkers, inzenders, polemisten, enz. zichzelf helpen te I herzien en zullen zij zichelf moeten afvragen, of hun meenings- 1 uiting van werkelijk belang is voor den proletarischen strijd en in hoeverre deze op een dergelijke wijze plaats vindt, dat daar- j van een voor de arbeidersklasse verhelderende en opvoedende I kracht uitgaat, t

„En ander gevaarlijk verschijnsel, dat wij hier wenschen te I signaleeren, is, dat bij vele onzer partijgenooten een bedenke- I lijke neiging tot fariseïsme en tot het persoonlijk besmeuren I öi afmaken van tegenstanders optreedt, dat niet anders dan af- I stootend kan werken op buitenstaanders en half-overtuigden. I Én nu kome men niet met het argument, dat dit van andere j zijde ook tegenover onze menschen geschiedt. Dit kan nooit I een verontschuldiging zijn tegenover personen, die zich daaraan niet schuldig maken, en mén krijgt soms den indruk, dat j het juist bij voorkeur tegenover dezulken plaats vindt. Hoe dan ook, velen van onze publicisten zijn nog niet van de een- j voudige waarheid doordrongen, dat een zuiver zakelijke en I correcte bestrijdingswijze van tegenstanders een doeltreffender I strijdmiddel is dan groote woorden en persoonlijke aantijgingen, I waardoor de werkelijke argumenten op den achtergrond worden gedrongen.

„Het is dan ook de ernstige overtuiging van ondergeteeken- 1 den, dat dit ontactvolle optreden, deze pose van zelfverheffing, I alleen omdat men het diplomaboekje der C. P. bezit, welke j velen partijgenooten eigen is als zij de partij op de een of an- j dere wijze naar buiten vertegenwoordigen, een van de oorzaken, dat groote groepen arbeiders, die overigens een zekere j instinctieve sympathie voor het communisme gevoelen, doof blijven voor onze propaganda.

^«Daarenboven maakt het den indruk, dat vele naar buiten I optredende partijgenooten de machtspositie der partij overschatten. De burgerlijke tegenstander laat zich daardoor in het algemeen niet bedriegen, maar gebruikt de overdreven woor- I den als middel om de goegemeente te alarmeeren en als voorwendsel voor het nemen'van dwangmaatregelen tegen de revolutionaire arbeidersbeweging, terwijl onze rijen daardoor in geen enkel opzicht versterkt worden.

„Zeer duidelijk komt deze machtsoverschattiagfcdi|ia««T wil- j len schijnen dan men is, naar voren in de houding onzer pubM- I cisten tegenover twee belangrijke vraagstukken, n.1. het geweld j en de cellenbouw.

„Hoewel ieder overtuigd is, dat het geweldsprobleem hier in j Nederland practisch voorloopig nog niet aan de orde is, en er in ieder geval nog nergens een begin gemaakt is met eenige organisatie van het proletarisch geweld, wat toch onvermijdelijk j zal moeten gesctnkden alvorens van dit strijdmiddel gebruik te kunnen maken, wordt in onze vergaderingen de geweldstactiek dikwijls onnoodig naar voren gebracht, waardoor ten onrechte j

Sluiten