Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

165

GE M EENTE-BE LAST1NGBN

zoodanig, dat een stijgend percentage van het inkomen wordt geheven met een toeneming van ten hoogste 2*/2 maal het percentage, geheven van een belastbaar inkomen gelijk aan het kleinste bedrag, dat voor noodzakelijk levensonderhoud wordt afgetrokken. De gemeenten moeten dus öf opcenten op de Rijksinkomstenbelasting heffen en daarin de progressie zoeken óf een eigen progressieve belasting op bovengemelden voet heffen. Doen Zij het eerste, dan mag er nog wel een gemeentel.

.inkomstenbelasting worden geheven, doch alleen overeenkom-

f stig art. 243, eerste lid, zonder progressie. De opcenten op de gebouwde eigendommen mogen tot 80, die op de ongebouwde tot 20 gaan. Op de Rijksinkomsten- en de Vermogensbèïas» ting mogen ze tot 100 gaan, behoudens wat betreft ten aanzien van forensen enz. De opcenten op de personeele belasting mogen eerst boven de 80 gaan, indien de opcenten op de grondbelasting tot het maximum zijn opgevoerd. De overige wijzigingen kunnen in dit bestek niet worden genoemd.

26 Okt. 1920 kwam het ontwerp in openbare behandeling (bladz. 138). Wegens de uitgebreidheid van het onderwerp kan hier slechts het allervoornaamste worden aangestipt. Minister de Vries verdedigde het. Geestdriftig was niemand voor het ontwerp gestemd. Men moest eT eindelijk iets van maken. Bij de konservatieven was vooral de zorg voor de zuinigheid der gemeenten het onderwerp van bespreking, al zei J. ter Laan voor de sociaal-demokraten ook uitdrukkelijk, dat hij evenmin roekeloosheid in het uitgeven bij die lichamen wenscht. Voorts werd ook het debat overheerscht door de vraag, wat de regee-

i ring inzake de uitkeering aan de gemeenten zou doen. De mogelijkheid van debietrechten noemde ter Laan zeer reactionair. Voor de toekomst van het gemeentelijk belastingpersoneel, dat door de wet zou worden overbodig gemaakt, sprak ter L. ook een hartig woord. Ook v. d. Tempel mengde zich 27 Okt. '20 in het debat. Hij wees er op, waardoor de gemeenten zoo in den nood zijn gekomen. Hij stelde met J. ter Laan een motie

'i voor, luidende (bladz. 168):

„De Kamer, van oordeel, dat de financieele verhouding tusschen Rijk en gemeenten behoort te worden herzien, in dier voege, dat de gemeenten worden ontlast van uitgaven in het

[ rechtstreeksch Rijksbelang (zooals voor recherche, vreemdelingendienst, vervoer en verpleging van arme krankzinnigen) en dat de vergoeding wordt gegeven voor uitgaven in het algemeen Rijksbelang voor onderwijs, armwezen en politie" enz.

De bespreking dezer motie werd tot een later te behandelen wetsontwerp uitgesteld. Het was toen in den tijd, dat de geldschieters de gemeenten in moeilijkheden brachten, door geen geld te willen leenen. Daarom stelde v. d. Tempel ook nog de volgende motie; voor, om nader te behandelen (bladz. 169):

„De Kamer, éelet op de moeilijkheden, welke gemeentebesturen ondervb>den bij het plaatsen van leeningen;

Sluiten