Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEMEENTE-POLITIEK

170

Verhouding van Rijk tot gemeente. — Gelijk reeds ónder „Gemeentebelastingen" is gememoreerd, was sedert lang de ■toestand der gemeenten ten aanzien van de financiën onhoudbaar. Kwam 9 Dec. 1920 een wetsvoorstel > in van de heeren de Geer (christ.-hist.), v. d. Tempel (s.-d.) en Treub (vrijh.b) „tot het nemen van maatregelen tegen te zwaren gemeentelijken belastingdruk", 14 Dec. 1920 kwam ook een ontwerp van de regeering in tot wijziging van de wet Van 24 Mei 1897 (gewijzigd 3 Juni 1905), waarbij de financieele verhouding van het Rijk tot de gemeenten is geregeld. In Dec. 1907 verscheen het rapport van een in 1903 benoemde Staatskommissie om deze Zaak beter te regelen. Er kwam echter tot voor kort weinig van terecht, er was groote oneenigheid over de oplossing. Het ontwerp van Dec. '20 bracht geen principieele herziening, doch lapte de zaak wat op: Het gewijzigd ontwerp, voordat minister de Geer optrad, dus van min. de Vries, had de strekking, de rijksuitkeering aan de gemeenten te verhoogen in dier voege, dat die verhooging plaats vindt indien het gemiddelde van het totaal der kohieren van den hoofdei, omslag of een andere plaatsel. 'inkomstenbelasting in de gemeente over de jaren 1917, 1918 en 1919 meer bedraagt dan het gemiddelde van het totaal der aanslagen van de Rijksinkomstenbelasting ongeveer over die jaren. Bij een verschil van 10—20 procent zou de verhooging 20 pet. bedragen; bij een verschil van meer dan 20 pet., 10 pet. van elke 10 pet. of gedeelte daarvan tot ten hoogste 100 pet. (Een verschil van minder dan 10 pet. bleef buiten aanmerking). Dit was art. 2 van het ontwerp in eenigszins verstaanbare taal overgebracht.

Het voorstel-de Geer wilde verder gaan. Allereerst zou van geen toeneming van het belastbaar inkomen een hooger percentage geheven worden dan bij de inwerkingtreding der wet geheven werd van diezelfde toeneming in de Rijksinkomstenbelasting, vermeerderd met 10 (art. 1).

Voorts zou in elke gemeente, waarin de gemiddelde opbrengst van de plaatsel. inkomstenbelasting over de jaren 1919 en 1920, meer bedraagt dan de gemidd. opbrengst van de Rijksinkomstenbelasting ongeveer over die jaren, het uit te keeren bedrag Van het Rijk verhoogd worden met IV2 maal het percentage, waarmede die gemidd. opbrengst van de plaatsel. ink. belasting de opbrengst van de Rijksinkomstenbelasting overtreft. De inhoud kwam ongeveer overeen met het voorstel-de Geer, onder het hoofdje „Gemeentebelastingen" vermeld. Bovendien werd art. 9 bis uit de wet van 1897 (in 1905 ingevoegd), geschrapt, zoodat de aftrek wegens de onderwijzersjaarwedden verviel. Voor de gemeenten was dit initiatief-voorsel dus'veel 'gunstiger dan het latere van de regeering. Het gold intusschen ook als een nooduitkeering. Ten hoogste 30 millioen zou het Rijk per jaar meer aan de gemeenten moeten betalen; het regeeringsontwerp 10 a 11 millioen! Doch daar kwam de kabinets-

Sluiten