Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

181

GRONDWETSHERZIENING

gelaten. — Leden der rechterlijke macht zullen op zekeren leeftijd ontslagen kunnen worden (Ve hoofdstuk).

6e. Openbare godsdienstoefeningen buiten gebouwen en besloten plaatsen — dus ook processiën — worden vrij; de koning zal niet langer behoeven te „waken" over de gehoorzaamheid der kerkgenootschappen (Vle hoofdstuk) en het Collatierecht, d.i. het heerlijk recht van personen om predikanten te benoemen, wordt afgeschaft (Additioneele Artikelen).

7e. Aan andere dan in de Grondwet genoemde publiekrechterlijke lichamen kan verordenende bevoegdheid worden verleend (IXe hoofdstuk).

8e. Bij verandering van de Grondwet wordt, als de Kamer die met minder dan s/a der stemmen aanneemt, het referendum toegepast. — De ontbinding der Kamer na de afkondiging der herziene Grondwet vervalt. — Verbod van grondwetswijziging gedurende een Regentschap vervalt (Xle hoofdstuk).

De Staatskommissie had voorgesteld om, als er geen vooruitzicht bestond op een bevoegd troonopvolger, bij volksstemming te laten beslissen over den staatsvorm, in dien zin, of het Ned. volk een nieuwen koning of een republiek wil hebben. De regeering was hiervoor teruggedeinsd en verklaarde, dat het volk altijd door grondwetsherziening van de monarchie afstand kon doen.

Overigens was reeds bij het rapport der Staatskommissie o.a. een Nota-Schaper gevoegd, waarin deze wees op het watHÜ beteekenende van de voorstellen.

„Mag dus ondergeteekende niet de hoop koesteren, dat de thans voorbereide grondwetsherziening al zijne wenschen zal kunnen bevredigen, een herziening onzer Constitutie, ter hand genomen in een tijd als welken wij thans beleven, dient toch in ieder geval aan hoogere eischen te voldoen, dan de meerderheid der Commissie daaraan blijkbaar stelt. Het initiatief tot de onderhavige herzienng werd genomen in het laatst van het jaar 1918, toen in den boezem Uwer Regeering en in toonaangevende kringen blijkbaar de overtuiging begon door te dringen, dat ons staatswezen aan ingrijpende veranderingen zou moeten worden onderworpen. Volk en volksvertegenwoordiging waren doordrongen van de gedachte, dat nieuwe tijden waren aangebroken en dat groote hervormingen moesten worden tot stand gebracht. Niet het minst sproot deze gedachte voort uit vrees voor revolutionaire woelingen, welke zich aankondigden van buiten en binnen de grenzen. Ondergeteekende kan, gezien de voorstellen der meerderheid in de Staatscommissie, de vrees niet onderdrukken, dat, wijl nadien de angst voor revolutie is getemperd, ook het verlangen om onze staatsregeling eenigszins radikaal te herzien in demokratische richting, wederom zeer is bekoeld, zoodat de huidige machthebbers, getrouw aan zoovele voorbeelden uit de geschiedenis der volkeren, niets

Sluiten