Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INDISCHE POLITIEK

230

lijke in zich op de maatschappij Moeara Enira, die in Palembang werkt; in 1906 slokte zij de mpij. Moesi Ilir op, in 1907 de mpij, „Sumatra-Palembang", eveneens in 1907 de Ned^Ind. Industrieen Handelmpij., in 1910 de Mpij. tot Mijn-, Bosch- en Landbouwexploitatie, in 1911 de Dordtsche Petroleum Maatschappij. En ■ de minister verklaart hier en laat door den minister van Buitenlandsche Zaken nog eens verklaren, dat hij geen monopolie in Ned.-Indië wil, doch geeft in 1921 aan diezelfde maatschappij de rijke velden van Djambi er nog bij!" Vooral dat geheime gekonkel maakte een slechten indruk, zelfs ih klerikale kringen. Zóó schreef de kath. Maasbode van 19 Mei '21: *

„Een vluchtige kennisneming van hetgeen het jongste Oranjeboek omtrent de Djambi-zaak behelst, moet den lezer wel de overtuiging bijbrengen, dat er aan deze aangelegenheid een netelige kant zit. En wij 'maken ons sterk, dat, indien de diplomatieke voorgeschiedenis dezer onverkwikkelijke zaak den Kamerleden ware ter kennis gebracht, alvorens hun beslissing ten deze was gevraagd, menigeen der voorstemmers zou hebben geaarzeld om zijn „placet" aan het wetsontwerp te geven. Er blijkt toch uit, dat inderdaad de vrees voor internationale verwikkelingen, waarop bij herhaling in onze courant is gedoeld, verre van denkbeeldig is te achten en de betrokken wetsvoör» dracht geenszins het onschuldige karakter bezat, dat de minister er aan wilde zien toegekend".

De „Residentiebode" van 23 Mei schreef;

„Een aandachtige lezing der met Amerika gewisselde stukken zal menigeen de overtuiging bijgebracht hebben, dat wij: met onze koloniale politiek een zeer bedenkelijken weg zijn ingeslagen. En naar wij in politieke kringen hooren, zouden verschillende Tweede Kamerleden, ook van rechts, zich nog wel eens ernstig bedenken, als zij nóg hun stem aan het wetsontwerpde Graaff te vergeven hadden. We gelooven dan ook stellig, dat ware het Oranjeboek verschenen vóór de stemming in de Tweede Kamer had plaats gehad, het wetsontwerp er zoo niet gekome ware". En verder:

„Ware de Tweede Kamer geheel op de hoogte geweest van hetgeen is voorgevallen tusschen de diplomaten, zij zou ongetwijfeld anders gehandeld hebben dan zij nu deed".

Albarda stelde een 6-tal vragen. Waarom was er geheim-, houding gepleegd? zoo luidde de vraag. En voorts:

3. Welke zijn de „bepaalde voorstellen" die „in de laatste 12 maanden" van Amerikaansche zijde zijn gedaan met betrekking tot de exploitatie van Indische petroleumvelden, en die de gezant der Vereenigde Staten moet hebben bedoeld in zijn brief van 19 April 1921 aan deri Minister van Buitenlandsche Zaken? (bladz. 40 Oranjeboek).

6. Is de Minister niet van oordeel, dat nu door de Tweede Kamer over het Djambi-ontwerp beslist is, terwijl belangrijke gegevens voor de beoordeeling er van door de Regeering voor

Sluiten