Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DJAMBI-OLIB

haar verborgen waren gehouden, de Kamer alsnog in de gelegenheid behoort te worden gesteld, met volledige kennis van zeken over de exploitatie der Djambivelden opnieuw te

^Mm^de Graaff praatte wat de geheimhouding betreft er wat om heen en gaf nu ziinflezing van het gebeurde, hetgeen we ui ieder geval allemaal ten tijde der behandeling hadden moeten hooren! Wat vraag 3 betreft, was geen bepaald voorstel gedaan; het waren besprekingen en onderhandelingen. Ook de min. vtoMUkjofe-aaken, jhr. mr. v. Karnebeek, nam het woord. Het bleek hierbij, dat zelfs de kommissie voor buitenl. aangelegenheden uit de Kamer niets was medegedeeld. Maar van een terugnemen van het ontwerp — dat nog bij de Eerste Kamer aanhangig was — wilde de regeering niet weten. Toen diende Albarda de volgende motie in:

De Kamer, betreurende, dat de Regeering haar bij de behandeling van het wetsontwerp nopens de olievelden van Djambi onvolledig heeft voorgelicht; f spreekt den wensch uit, dat dat wetsontwerp ten spoedigste worde ingetrokken en dat de Regeering de vraag, hoe met de terreinen van Djambi zal worden gehandeld opnieuw aan haar oordeel zal onderwerpen". , .

Stelden de kath. mr. van Rijckevorsel, de christ.-hist. dr. ISchokking en de anti-rev. mr. Rutgers de zaak als onschuldig voor de vrijz.-dem. Marchant viel eveneens scherp de regeeTing 'aan. De vrijh.bonder mr. Dresselhuys vergoeilrjkte een en ander, doch veroordeelde ook de geheimhouding. Hij stelde de volgende motie voor, om alleen de min. v. kolomen te treffen: „De Kamer, gehoord de mededeelingen van den Minister van Koloniën, , ,

van oordeel, dat zij daarmede in kennis had behooren te Mjn ■ gesteld, vóór of tijdens de behandeling van het Djambi-wetsIOntwerp;" enz. . , ,

Albarda zei 27 Mei tot den heer Rutgers o.a.: „De behandeI ling van dit ontwerp is in alle opzichten berispelijk geweest.

Zcoals gisteren uit de verklaringen van den minister bleek, lis zij begonnen op deze wijze, dat de heer Idenburg zich met f den heer Colijn in verbinding stelde. Verder is niet aan een andere maatschappij de gelegenheid geboden evenals de Koninklijke een aanbieding te doen voor Djambi. Voorts heb ik vastgesteld, dat het onwaar is, wanneer men zegt, dat de K.oninklüke de eenige reflektant is, die in aanmerking kon komen. Met de feiten heb ik aangetoond, dat er in 1915 wel 5 andere maatschappijen zijn geweest, die een behoorlijk bod hebben gedaan, dat één daarvan een beter bod deed dan de Koninklijke, en I een andere een even goed bod als zij, en dat er tevens Waren, die een kontrakt hebben aangeboden ongeveer van denzeltden I aard als de minister het wilde; maar dat ondanks dat alles toch alle buiten spel zijn-gelaten.

Sluiten