Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KERK EN STAAT

250

den toegestaan, de band tusschen kerk en staat slechts zou worden versterkt, daar, als bij de scheiding aangelegenheden zouden worden verrekend, de kosten voor den Staat nog hooger zouden worden dan ze thans zouden zijn.

„Het is eigenlijk een schande — sprak hij — dat een dergelijk wetsontwerp hier komt. Er zijn een aantal rijke kerken, die hun predikanten best behoorlijk kunnen betalen. Bovendien zijn er tal van rijke gemeenteleden, die het zeker kunnen doen, wanneer zij maar willen". (Bladz. 232)

Het betrokken ontwerp werd dan ook 24 Oktober '19 aangenomen met de stemmen tegen van de sociaaldemokraten, benevens die van de anti-revolutionairen (de Gereform. .kerken ontvangen niets), de kommunisten en A. P. Staalman (bl. 241).

. Scheiding van Kerk en Staat. — In zijn Nota voor de Grondwetsherziening heeft Schaper over het Vlle hoofdstuk, van den godsdienst, het volgende geschreven:

„Ondergeteekende zou de voorkeur geven aan het losmaken van den financieelen band, die Kerk en Staat aan elkander binden. Tegenover al degenen, die niet in een bevoorrecht of in het geheel niet in een kerkgenootschap zijn opgenomen, is vooral het tweede lid van art. 171 onbillijk. (Waarbij n.1. ook aan toekomstige predikanten enz. een traktement uit de schatkist kan worden verleend). Hierbij moet ook niet uit het oog worden verloren, dat de religie hoe langer hoe minder uitsluitend tot uiting komt in de eigenlijke kerkgenootschappen of „godsdienstige gezindheden", in de Grondwet bedoeld. Er zijn reeds tal van vereenigingen en „vrije gemeenten", waarin godsdienstige besprekingen en oefeningen worden gehouden, zonder dat van een kergenootschap sprake is. Des te onbillijker wordt meer en meer een regeling, die velen dwingt, belasting op te brengen voor de religieuse behoeften van anderen. De, onbillijkheid wordt verhoogd door de omstandigheid, dat sommige der bevoorrechte kerkgenootschappen niet schromen, den godsdienst als wapen in den strijd tegen gehate politieke richtingen te. misbruiken.

Ondergeteekende acht het intusschen wenschelijk de verplichtingen, welke op historische gronden de Staat aan de gesubsidieerde godsdienstige gezindten mocht hebben, op billijke wijze te liquideeren. Art. 171 zou dus moeten vervallen, terwijl onder de additioneele artikelen een bepaling ware op te nemen, dat geen nieuwe subsidiën meer worden verstrekt en dat bij een wet een regeling van de aangelegenheid in verband met het eerste lid van genoemd artikel zal worden getroffen» In deze wet zouden eenige waarborgen moeten worden neergelegd, dat de afgekochte kerkgenootschappen de verkregen gelden niet met verwaarloozing van de rechten der leeraren en hunne nagelaten betrekkingen zouden kunnen besteden".

(Zie ook nog onder „G odsdienst en socialism e").

Sluiten