Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S51

KIESWET

KIESWET (en Prov. en Gem.wet).

Terwijl4*r gelegenheid van de Grondwetsherziening in de „Addittoneele artikelen" ook de Kieswet voor Rijk- Provincie en Gemeente werd herzien/ diende reeds eerder,'n.l. 5 Jan, 1921,3u»< regeering drie wetsontwerpen tot herziening der bestaande Xieswet en de desbetreffende bepalingen in de Prov.- en de Gemeentewet in. Het betroi meest technische wijzigingen, waarvan zelfs de vermelding op deze plaats niet doenlijk is. Hoofdzaak was het stelsel der evenredigheid beter tot zijn recht te doen komen en uit te «haten, dat nietige partijtjes, ten gerieve van een of enkele personen, door een bedeeling met overschotten nog een zetel in een der vertegenwoordigende of besturende lichamen verkrijgenViaooals dit in 1918 het geval was. De Mem. v. Toelichting zeide daarom*

^Artikel 99 en 100. In het z.g. stelsel der grootste overschotten, dat in artikel 99 is belichaamd, is een korrectie noodig om te voorkomen, dat een zetel toevalt aan een slechte . kleine groep van kiezers. Het thans geldende artikel tracht dit te bereiken, door, behoudens zeer zeldzame gevallen^ hij •ha*aoek»nnett der zetels uit te «haten lijsten, wier stemcijfer lager is dan 50 pet. van dett hiesdeeler. De praktijk heeft geleereV dat deze grens te laag is gesteld. Bij de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer in 1918 zijn niet minder dan 7 van de 100 zetels toegekend aan partijen wier aantallen stemmen aanmerkelijk bleven beneden den kiesdeeler. Mitsdien wordt voorgesteld de grens te verhoogen tot 75 pet. van den kiesdeeler. Tegen ■de** verhooging bestaat te minder bedenking, daar de wet de kleine partijen toch reeds volledig tot Haar recht doet komen, doordat zij hét stelsel heeft aanvaard, dat de gelegenhei* biedt alle stemmen in het geheele land samen te tellen en zoodoende het vereischte aantal te behalen".

Voorts werd voorgesteld in de gevallen, waarin een reeds gekozen kandidaat uitvalt, te aanvaarden het bij de behandeling der ÏKieswet in de Tweede Kamer reeds geopperde denkbeeld om ook de stemmen, waarmede de uitvallende kandidaat is gekozen, over te dragen evenals die, welke boven den kiesdeeler op hem mochten zijn uitgebracht.

Toen 7 Sept. 1921 de ontwerpen in openbare behandeling kwamen, werd allereerst een aangelegenheid besproken, waarOp nader teruggekomen wordt, n.1. het stemmen van op den Verkiezingsdag afwezige kiezers. Allereerst zij de lijstenkwestie besproken. De denkbeelden, neergelegd in boven afgedrukte regels, werden aanvaard, doch ook andere wijzigingen aangebracht. Allereerst werd ingevoerd de „lijstkiesdeele*". De lijstkiesdeeler is gelijk aan het quotiënt, dat verkregen wordt bij deeling van het stemcijfer der lijst door' het aantal plaatsen, aan de lijst toegekend.

Albarda en de vrijhbonder Drion: ijverden hiervoor en het

Sluiten