Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunst en Kunstenaars

266

ding van konservatoria, orkesten, van monumenten van kunst, enz., het bleek ook in het bijzonder bij de behandeling van de aanvraag van den minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen aangaande geldelijken steun voor de Nederlandsche Opera en de Dramatische kunst. In 1918 was in de Kamer aangedrongen op subsidieering dezer kunst. Min. de Visser had in 1919, op de begrooting voor Ond., K. en W. voor 1920, een post geplaatst: „Subsidiën en andere uitgaven ten 'behoeve van de dramatische kunst, Memorie".

Een subsidie aan de Ned. Opera stond elders.

De bedoeling was, principieel uit te maken, of de regeering deze instellingen geldelijk zou kunnen steunen. 19 Maart 1919 was inmiddels een Staatskommissie benoemd om te onderzoeken, of en zoo ja onder welke voorwaarden de overheid dram. kunst, opera- en tooneelkunst, zou kunnen steunen. Onder de 24 leden „was ook Herm. Heijermans Jr. De kommissie splitste zich in een principieele en een financieele kommissie en zij kwam tot de slotsom, dat steun kon worden geboden, doch niet onvoorwaardelijk. De grootst mogelijke meerderheid (zonder Heijermans) meende omtrent de voorwaarden:

„In geen geval kan voor subsidie in aanmerking komen tooneelkunst, die de ethische grondslagen van ons volksleven ondermijnt. Derhalve behoort niet te worden gesubsidieerd:

a. de opvoering van tooneelstukken, welke rechtstreeks of zijdelings tot ongehoorzaamheid aan de wet of het openbaar gezag aanzetten;

b. de opvoering van tooneelstukken, welke hetzij in hun geheel hetzij in onderdeelen de zedelijke grondslagen, waarop onze maatschappij steunt, aantasten;

alsmede een wijze van tooneelopvoering, die zinnenprikkelend op den toeschouwer werkt;

c. de opvoering van tooneelstukken, welke door de wijze waarop daarin godsdienstige vraagstukken worden behandeld, of welke door afzonderlijke uitingen kwetsend zijn voor het godsdienstig gevoel".

Heijermans wilde de censuur natuurlijk niet. Hij eischte in hoofdzaak slechts,, dat de vertooningen „op een behoorlijk artistiek peil" zouden staan. Het eindrapport zou later volgen.

Zoo kwam 27 Nov. '19 de zaak in de Kamer. Mr. de Sav. Lohman verklaarde zich vóór subsidie-verleening, Duymaer v. Twist en anderen tegen. Kleerekoper verklaarde zich vóór den post in beginsel, doch tegen de censuur als voorwaarde van subsidie. Hij stelde, mede namens eenige liberalen, een vrijz.demokraat en een kommunist, de volgende motie voor:

„De Kamer, van oordeel, dat de verheffing der dramatische kunst mede door steun der Overheid behoort te worden bevorderd,

dat deze steun alleen behoort te worden afhankelijk gesteld

Sluiten