Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

315

GOEDERENVERKEER MET BUITENLAND

ben gesaboteerd, zoodat een werkstaking' is ontstaan, ten gevolge waarvan op dit oogenblik zestig duizend menschen meer dan anders gebrek hebben aan behoorlijk voedsel. Die gewetenlooze en karakterlooze lieden hebben dat op hun geweten, als ze dat nog hebben, door hun ophitsingen en lasteringen. Ik schaam mij er voor, dat zij zich noemen arbeiders, dat zij zich noemen revolutionairen. Zoo heb ik nooit de revolutie begrepen. Recbt is recht, en als ik de bezittende klasse beschuldig, dan wil ik ook beschuldigen hen, die noch den naam van arbeider, noch dien van revolutionair verdienen".

Kolthek vatte hierop vuur en trok het zich aan, was echter niet genoemd. Dat ook zijn lieden de schoen konden aantrekken omdat deze hen paste, is niet zonder waarschijnlijkheid. Men zag intusschen boven, hoe dolzinnig de heeren in de Kamer ageerden. Tegen de sociaaldem. motie ten gunste eener betere levensmiddelenvoorziening en zelf met een motie komende voor een algemeen uitvoerverbod, waarbij ons land in veel erger positie zou zijn gekomen.

Goederenverkeer met buitenland. — 29 April 1918 kwam een Ontwerp in, met de levensmiddelen-voorziening in verband staande, n.1. een „nadere voorziening ten aanzien van het goederenverkeer met het buitenland". Het ontwerp was een aanvulling van de wet van 1 Sept. 1917, ten aanzien van de Ned. 'tJitvóermpij. Het gaf veel stof tot algemeen debat over handel, productie en verbruik, maar de strekking van de 15 Maart 1919 (Stbl. 122) aangenomen wet komt hierop neer, dat de Ned. Bank, in verband met het verleenen van kredieten aan vreemde mogendheden door de Kroon gevrijwaard is voor een bedrag van ƒ40.000.000 voor het verlies uit het beleenen van effekten en andere handelspapier. Het doel was, volgens een der Nota's v. Wijzigingen:

De eerste beoogt de centraliseering van den invoer te verzekeren, hiertoe gebruik te maken van de tusschenkomst der Ne derlandsche Uitvoermaatschappij.

De tweede betreft de kredietverstrekking'aan het buitenland 'ten einde de beschikking te erlangen over goederen, welke voor ons land van overwegend belang zijn te achten.

De derde eindelijk strekt om den staat te waarborgen tegen geldelijk nadeel uit de onzekerheid Omtrent de vraag, of de voorwaarden, welke, vóórdat de Nederlandsche Uitvoermaatschappij hare taak aanvaardde, zijn verbonden aan de vergunningen tot den: uitvoer van goederen, wel voor elke betwisting in rechten gevrijwaard zijn en voorts Om te verzekeren, dat de Staat inderdaad ontvangen hetgeen hem toekomt bij de likwidatie van de z.g. distributie- en exportvereenigingen.

7 Febr. 1919 wees, in een debat, waaraan mr. v. Beresteijn, [ mr. Dresselhuys, mr. v. Rijckevorsel e.a. deelnamen, Schaper op den loop van zaken.

Sluiten