Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MILITAIR STRAFRECHT EN KRIJGSTUCHT

324

oprechten dank te betuigen voor de flinke en rechtschapen wijze, waarop U, inzonderheid ten aanzien van den middenstand en van de kleine burgerij, zijt opgetreden bij de behandeling van de Noodbouwwet in de 2e Kamer van de Staten-Generaal.

Bij voortduring bevelen wij gaarne het vraagstuk der volkshuisvesting ten zeerste in uw veelvermogende belangstelling aan. Met Hoogachting, De Nationale Huurdersbond enz."

Ook op ekonomisch gebied loopen de belangen der middelklasse menigmaal paralel met die der arbeiders. Dwazelijk smalen soms middenstanders op de z.g. hooge loonen(') der arbeiders. Hoe meer koopkracht bij de arbeiders, boe meer profijt voor de neringdoenden in ons land, daar alleen de rijken hun goed van elders laten komen.

Wat de z.g. intellektueele middelklasse aangaat, de beoefenaars der vrije beroepen, de hoogere ambtenaren van overheid en bedrijf, dit is een proletariaat van wetenschappelijken aard, wier belangen allerminst zijn strijdig met die van hei gewone, van den handarbeid* Hun positie is veelal even afhankelijk en wisselvallig. Het „geleerde proletariaat" heeft een zwaren strijd om het bestaan, want het wordt steeds talrijker. In stede van zich al te zeer blind te staren op de fouten van het gewone proletariaat, doet het verstandig, het beter te leeren begrijpen; desnoods mede op te voeden en met dat proletariaat te streven naar gezondere maatschappelijke verhoudingen. Wederzijds zal de arbeidersklasse goed doen, een billijke waardeering te koesteren voor de arbeiders met het hoofd en hunne nooden en behoeften te leeren kennen.

MILITAIR STRAFRECHT EN KRIJGSTUCHT.

Reeds van 27 April 1903 dateert een belangrijke wijziging van het Wetboek van Mil. Strafrecht en van de wet op de Krijgstucht, waarin echter een aantal gezonde hervormingen niet zijn opgenomen, door den onwil van den toenmaligen min. v. oorlog en de gewillige kamermeerderheid. 18 Mei 1921 was een 1 Mei 1918 ingediend ontwerp tot invoering dier wetten aan de orde. Hugenholtz bepleitte bij die gelegenheid de instelling o.a. van Raden van Tucht en de voorwaardelijk veroordeeling. Hij stelde daartoe een motie voor, luidende:

„De Kamer noodigt de regeering uit een onderzoek in te stellen naar de wenschelijkheid en de mogelijkheid van de invoering

1°. van Raden van Tucht,

2°. van de voorwaardelijke strafoplegging in het militaire tuchtrecht; en

de resultaten van dat onderzoek, c.q. vergezeld van een wettelijke regeling van beide instituten, met bekwamen spoed te harer kennis te brengen," enz.

De regeerintf wilde hiervan niet weten, ofschoon slechts een

Sluiten