Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONDERWIJS

362

toestaan van de hiervoor noodige gelden, moeten worden onderworpen aan de toestemming van het Centraal gezag. De gemeentebesturen behouden dus hunne bevoegdheid om te besluiten, of mede te werken tot den bouw Van nieuwe scholen, maar het besluit zal eerst effekt kunnen sorteeren, nadat de Kroon daartoe machtiging heeft verleend".

Schoolbouw, nog in voorbereiding, zou ook al dadelijk stil gezet worden.

Dit in zeker opzicht niet slechte wetje werd echter bedorven door de strekking, ook de openbare school er in te betrekken, waaromtrent geen' misbruiken gebleken waren, doch die door de aanvaarding van het ontwerp ook in moeilijkheden zou kunnen geraken. Daardoor Was er ook nogal sterk verzet in de afdeelingen der Kamer, daar de kerkelijken uit ander oogpunt verzet pleegden. Zoo werkt de ongelukkige antithese nog zelfs op het gebied der schoolpolitiek, waar anders in beginsel tot den vrede gesloten is.

Het kon overigens niet ontkend worden, dat de jacht op een eigen school door orthodoxe predikanten-geestdrijvers hier en daar tot misbruiken leidt. Kinderen worden van de eene bizondere school afgehaald om ze naar een nieuwe te brengen, eenvoudig omdat er een gering kerkelijk verschil tusschen de belijdenis der verschillende ouders bestaat.

Schoolgebouwen. — 10 Mei 1921 werd de volgende motie ingediend:

„De Kamer, van oordeel dat bij de uitvoering der wet op het lager onderwijs het dragen der kosten van art. 55c voor de gemeenten al meer een te zware,last zal zijn en derhalve deze kosten tot ten minste 50 pet. door het Rijk moeten worden gedragen, en gaat over tot de orde van den dag".

Zij was onderteekend: Van de Laar, Ketelaar, Schaper, Van Zadelhoff, Ossendorp.

Deze motie, die zal moeten tegemoet komen aan de nooden der gemeente op het gebied van den scholenbouw, werd in 1921 nog niet behandeld. Daar komt bij, dat hier en daar de eischen, aan den bouw van biz. scholen gesteld, al even weelderig worden als men ze vroeger aan de openbare school verweet.

Leerplichtwet. — Lag bij de Kamer reeds sedert 19 Sept. 1911 een wetsontwerp-Ter Laan c.s. om in de Leerplichtwet het 8ste leerjaar, tot den 14-jarigen leeftijd in te voeren, sedert 6 Febr, 1912 lag er ook een regeerings-ontwerp, om eenige verbeteringen, echter met het 7e leerjaar, in de wet aan te brengen. Zóó om het geoorloofde verlof van 2 verzuimde schooltijden in 2 maanden te doen vervallen, het landbouwverlof tot 4 weken terug te brengen, om de boete wat te verhoogen en om de werkgevers, die leerplichtige kinderen in dienst hebben, te straffen. In Nov. 1919 werd echter- bij nota van wijzigingen het

Sluiten