Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONDERWIJS

36e

Daarom geen bevoegdheid maar verplichting van den gemeenteraad, om, waar de behoefte inderdaad blijkt, ook schoolvoeding en -kleeding te verschaffen.

Bevoegdheid alleen is o. i. niet voldoende, want dan zal in de groote steden 't behoeftige kind voedsel en ƒ 20 per jaar aan kleeding ontvangen, terwijl in de plattelandsgemeenten de kinderen der onvermogenden niets krijgen, dat is een ongelijke bedeeling, welke alleen voorkomen kan worden wanneer alle gemeenteraden verplicht worden te zorgen voor schoolvoeding en -kleeding, als, zooals we opmerkten, er inderdaad noodstand is," Aldus de „Chr, Onderwijzer".

Thans zullen de dames en heeren wel zeggen, dat de arbeider „genoeg verdient" om zelf zijn kinderen te voeden, en hij redelijke loonen is dit ook het geval. Maar de ekonomische toestand van thans doet ons duidelijk zien, hoe wisselvallig de basis onzer maatschappij is. De werkloosheid is schrikbarend en de armoede is dus weer buitengewoon groot. — Van Zadelhoff deed een beroep op den minister om het amendement niet onaannemelijk te verklaren — op overneming durfde hij al niet meer hopen) — opdat de Kamer vrij kan oordeelen en gaf cijfers.

„En wat zien wij .daaruit? Dat in 1901 in slechts 3 gemeenten voedsel en kleeding werd gegeven aan behoeftige schoolkinderen, doch dat dit aantal onmiddellijk na invoering van artikel 35 klom tot 21. In 1911 was dit aantal gestegen tot 46, in 1916 tot 58, in 1917 tot 64. Dit is het laatste jaar waaromtrent een verslag is verschenen. De minister zegt mij nu dat het aantal in 1918 71 en in 1919 72 bedroeg. Er is dus een langzame, zeer langzame stijging. De gelden, door de gemeenten rechtstreeks of door middel van een subsidie gegeven, vertoonen een wel belangrijker stijging,. maar ook die cijfers spreken van een geweldigen achterstand. In 1901 was het bedrag dat uitgegeven werd door de gemeenten: ƒ 1202,2 lVs, in 1911 ƒ 116,507.81, in 1916 ƒ 260,753 en in 1917 ƒ 447,122,04,

Waar nu in 1919 het aantal gemeenten, waar voeding en kleeding wordt verstrekt, slechts gestegen is tot 72, terwijl er ruim 1100 gemeenten zijn, zien wij dat het overgroote deel van de gemeenten volkomen in gebreke blijft zich iets van het lot van het arme schoolkind aan te trekken".

Hij haalde het rapport van den Onderwijzersraad aan, waarin het heette: „Naar het oordeel van den raad is het niet voldoende, dat het gemeentebestuur bevoegd is, bedoelde maatregelen (nl. om ter bevordering van het schoolbezoek aan schoolgaande kinderen, voor wie daaraan behoeft*, bestaat, voeding en kleeding te verstrekken of om met dat doel subsidie te verleenen) te treffen, maar moet het de verplichting worden opgelegd, na te gaan of, wegens onvoldoende voeding en kleeding, het onderwijs wel aan zijn bedoeling kan beantwoorden; is zulks niet het geval, zoo zij het gemeentebestuur verplicht 1

Sluiten