Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

367

LEERPLICHTWET — HOOGER ONDEKWIJS-WET

maatregelen te treffen om deze beletselen uit den weg te ruimen; onder deze maatregelen worden mede begrepen het verleenen van subsidie aan vereenigingen, die zich met deze zaken bemoeien."

De klerikalen beriepen zich intusschen op het part. initiatief. De minister verklaarde het toch o n aannemelijk! Het amendement werd dan ook 20 April '21 verworpen met 51 tegen 19 stemmen. Voor de sociaaldemokraten, kommunisten en vrijz.demokraten (bladz. 2131). Het kon er nu nog een weinigje ©p door dat alle klerikalen tegenstemden, omdat de minister het amendement onaannemelijk had verklaard. Doch hadden de kerkelijken terstond in het debat de zaak krachtig bepleit, dan had de minister, die de situatie wel begreep, dat niet gedurfd. Vooral de kerkel. arbeidersafgevaardigden hadden hier een schoone taak gehad. De motie-de Kanter werd verworpen met 43 tegen 28 stemmen, rechts tegen links met dien verstande, dat de kommunisten mee tegenstemden, wegens het hooghouden van het part. initiatief in de motie (bladz. 2131).

28 April 1921 werd het ontwerp aangenomen met 60 tegen 16 stemmen. Tegen stemden de antirevolutionairen behalve Smeenk en Schouten, de christ.-hist. van Veen, Braat en de kommunisten (bladz. 2272).

De Eerste Kamer nam 3 Okt. '21 het ontwerp aan met 32 tegen 3 (antirev.) stemmen. 15 Okt. werd de wet afgekondigd (Stbl. 1131) en 3 Dec. 1921 werd de volledige nieuwe tekst openbaar gemaakt (Stbl. 1341. 1 Jan 1922 trad zij in werking.

Hooger onderwijs-wet. — Een wijziging en aanvulling van de wet op het hooger onderwijs werd 22 Maart 1919 voorgesteld. De strekking was o. a. de éénheid der doktoraten vast te leggen. De universiteit kreeg te veel het karakter van een vakschool door de gesplitste doktoraten. Het doktoraat is, zooals de Mem. v. Toel. betoogde, het bewijs, dat iemand op het gebied der wetenschap zelfstandig kan optreden, terwijl het doktoraal examen in verband met de daaraan voorafgegane examens den waarborg biedt, dat men bekwaam is in de wetenschap, die voor de behoorlijke vervulling van eene betrekking of ambt wordt vereischt. Naar dit examen wordt derhalve, wat het verleenen van bevoegdheden op grond van universitaire graden betreft, bij de eenheid van doktoraat het zwaartepunt verlegd.

Een paar artikelen maken dit nader duidelijk^ Art. 30 luidt na de totstandkoming der wet, wat het eerste lid betreft:

„Aan de universiteiten zijn de volgende doktoraten verkrijgbaar:

lo. in de godgeleerdheid; 2o. in de rechtsgeleerdheid; 3o. in de geneeskunde; 4o. in de wis- en natuurkunde; 5o. in de letteren en wijsbegeerte.

Sluiten