Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONDERWIJS

374

waar de school staat, evenzoo wat betreft het leerlingstelsel); dat de gemeente verplicht kan worden een nijverheidsschool in stand te houden. De school kan echter opgeheven worden als er een onvoldoend aantal leerlingen overblijft. Ook inzake de schoolgelden waren regelingen gesteld, terwijl het aan de gemeente verboden werd, de kosten op de ouders te verhalen, behalve door een redelijk schoolgeld, indien en voor zoover dit geheven wordt.

18 Okt. 1921 werd dit ontwerpje bij de openbare behandeling, o.a. door Gerhard met toejuiching begroet; bezwaren van het gemeentebestuur van Amsterdam bleken ondervangen. Het ontwerp werd dien dag zonder hoofdei, stemming aangenomen (bladz. 102), en hetzelfde geschiedde in de Eerste Kamer op 21 Dec. 1921. 22 Dec. verscheen het in het Staatsblad (No. 1367).

De wijzigingen traden op hetzelfde tijdstip in werking als de wet zelf (zie boven).

Bewaarschool-onderwijs. — 28 Aug. 1920 werd een wetsontwerp ingediend tot regeling van het bewaarschoolonderwijs. Met betrekking tot de oprichting en instandhouding van scholen heeft de minister zich op het rare standpunt gesteld, dat de wet het stichten van nieuwe openbare scholen niet behoeft aan te moedigen, maar dat dit wel behoort te geschieden met de bijzondere! Het ontwerp wil geen geldelijke tegemoetkoming aan de gemeenten geven voor hare bewaarscholen. De algemeene eischen, welke thans reeds in de lager onderwijs-wet aan alle bewaarscholen zijn gesteld en in art. 189 van het ontwerp der nieuwe Lager-onderwijswet zijn behouden, zouden worden gehandhaafd. Aan die algemeene eischen worden thans nog eenige omtrent de bevoegdheid van het onderwijzend personeel toegevoegd. Maar verder gaande voorschriften worden alleen gegeven voor de (bijzondere) scholen, die Rijkssubsidie zullen genieten.

De gemeenten zouden, dus voor alle kosten opdraaien en de antithese zal ook voor de kleuters erkend! De subsidieering der biz. bewaarscholen zou aanvankelijk ruim 2 millioen gulden kosten. — In de afdeelingen is het ontwerp niet gunstig ontvangen, mede omdat de minister het ontwerp der Bevredigingskommissie niet heeft gevolgd en omdat het te veel kost! Vele leden ook duchtten van de regeling groot nadeel voor de ontwikkeling van het openbaar bewaarschoolonderwijs.

Het ontwerp is in 1921 niet behandeld.

Salarissen onderwijzers. — 14 Okt. 1919 interpelleerde Ossendorp den minister v. onderwijs, omtrent de bereidheid der regeering om de onderwijzers ook te doen deelen in de extra-uitkeering, welke zij voornemens is aan de ambtenaren te verstrekken en om de onderwijzers in de algemeene salarisregeling voor de rijksambtenaren op te nemen. O. wees op de

Sluiten