Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

375

SALARISSEN ONDERWIJZERS

DB SALARIS-REGELING

schrale traktementen der onderwijzers, wel wat verbeterd door een toen kort geleden tot stand gekomen wijziging der L.O.wet, doch allesbehalve voldoende. De minister stemde er in toe de maand extra-salaris, die de andere ambtenaren hadden ontvangeen, oqk aan de onderwijzers uit te' keeren. Dit zou het land 5 millioen gldn, kosten. Daar de definitieve regeling dezer aangelegenheid later zou terugkomen, was hiermede de interpellatie afgeloopen (bladz. 81). Aan het debat had, behalve de heeren Ketelaar, Dresselhuys, v. d. Molen, v. Wijnbergen en Otto, ook K. ter Laan deelgenomen. 30 Juni 1920 interpelleerde Ossendorp nog eens weer en vroeg voor de onderwijzers ten spoedigste een voorschot op de nieuwe te wachten hoogere traktementen. O. gaf staaltjes van onderwijzersleed door armoede, die treffend waren, en besloot: Laat de minister in het belang van zijn ambtenaren niet weifelen, maar zeggen dat hij er voor zal zorgen dat de menschen vóór 15 Juli die ƒ 500 hebben.

Toen de minister slechts ƒ 150 wilde geven, stelde O. de volgende motie voor:

„De Kamer, gehoord de verklaring van de regeering, dat zij bereid is aan de onderwijzers der openbare en gesubsidieerde bijzondere lagere scholen een voorschot van ƒ 150 te verstrekken,

van oordeel, dat het bedrag van dit voorschot aanzienlijk behoort te worden verhoogd en dient, zoo mogelijk te worden uitgekeerd vóór 1 Augustus a.s.," enz.

Deze motie werd 2 Juli 1920 aangenomen met 58 tegen 16 stemmen. De volgende heeren stemden tegen: Swane, van Vuuren, Rutgers, Bongaerts, Zijlstra, de Monté ver Loren, van Ryckevorsel, Kolkman,'A. P. Staalman, van der Molen, Scheurer, Kooien, Juten, Braat en Heemskerk;

Dus 8 katholieken, 6 anti-revolutionairen, met een christ. „demokraat" en een plattelander (bladz. 3027))

De salaris-regeling. — Ernstiger werd de zaak der salariëering, toen op grond van dewoieuwe Lager Onderwijswet de salarissen bij koninklijk besluit zouden worden geregeld. Een kommissie voor het ambtenaren-personeel had de rang van onderwijzer met een behoorlijken ambtenaarsrang gelijkgesteld, dit zou voor de onderwijzers een groote verbetering zijn, en dit Was uitgelekt. 16 Nov. 1920 richtte echter de minister een brief tot de Kamer, waarin werd gemeld, welke de positie van den onderwijzer in het Bezoldigingsbesluit zou zijn. Ossendorp interpelleerde nu 26 Nov, 1920 over dit besluit. Hij schetste, hoe ellendig altijd de onderwijzers behandeld zijn. En thans waren ze diep teleurgesteld, lo. waren ze niet- in tabel A van het Bezold.besluit opgenomen, daar zij dan niet de andere Rijksambtenaren zouden zijn gelijk gesteld. Dan is er ƒ 700 verschil, wat ongemotiveerd is. Ook is er een verschil tusschen gehuwde en ongehuwde gemaakt van ƒ 400, wat voor de onderwijzeres-

Sluiten