Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

383

ONTWAPENING

dupe zal worden. Geen ernstige partij brengt een votum uit over een ernstige zaak in bewoordingen, die een tegenstander van het door haar ingenomen standpunt opstelt, met het doel dat standpunt is diskrediet te brengen. Al waren de woorden dezer motie juist geweest, dan nog zou de fractie hebben tegengestemd, omdat zij zich niet door meneer Wijk als speelbal zou laten gebruiken. Bovendien is ons standpunt zoo simplistisch niet, dat we ons land zich eenvoudig „niet meer behoeft verdedigen". Men leze daarover het besluit van den Partijraad. De motie werd dienzelfden dag dan ook verworpen met 66 tegen 3 stemmen. Alleen 2 kommunisten en Kothek namen deze motie ernstig (bladz. 1006)! Merken we nog op, dat de >rijz.-demokraten, die een volksleger willen zonder beroepskader dat wellicht duurder is dan het tegenwoordig er aan meededen om de onzen te sarren met de kinderachtige motieWijk! We zullen nog wel zien, hoe deze heeren later zullen zwenken naar onze richting — zooals altijd! Wijnkoop durfde nog wel te roepen, dat we ..militaristen" zijn wegens dat tegenstemmen. Men leze echter onder „S o v j e t-R u s 1 a n d" over het roode leger!

Toen evenwel 16 Dec. '20 Kortbek* bij de behandeling der oorlogsbegrooting voor 1921, kwam met een motie'van dezen inhoud:

„De Kamer, van oordeel, dat de tijd voor militaire ontwapening van ons land gekomen is,

spreekt als haar meening uit, dat onmiddellijk een begin moet worden gemaakt met de afschaffing van leger en vloot", enz. waarbij de voorsteller zijn eigen meening uitte en de motie voorts reëel was, door te spreken van een begin maken van de afschaffing van leger en vloot, stemden de sociaaldemokraten voor. Zij werd echter natuurlijk verworpen, en wel met 47 tegen 18 stemmen, en voor stemden, met den voorsteller en de sociaaldemokraten, de kommunisten en dr. v. d. Laar (bladz. 1084).

Men weet dat Hugenholtz in Februari 1919 (zie onder V 1 o o t-p o 1 i t i e k) reeds de likwidatie der vloot voorstelde. 21 Dec. 1920 beval hij wederom de ontwapening ter zee (èn te land) aan en sprak o:a.:

„Nu reeds verkeeren wij in groote moeilijkheid. Gelden voor ? noodzakelijke sociale uitgaven zijn er niet. Onze ambtenaren kunnen wij niet behoorlijk betalen en de onderwijzers hebben wij moeten te leur stellen en onderwijl wordt nu reeds een belastingdruk opgelegd, waartegen ik binnenkort een geweldig verzet zie komen. Alleen reeds op die gronden meen Ik, dat wij moeten komen tot ontwapening.

Nu heeft men in de stukken aangevoerd, dat dit standpunt ' inkonsekwent is, omdat toch ook wij onze nationale zelfstandigheid wenschen te behouden, maar niets willen doen 'voor de

Sluiten