Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SOCIALISATIE

426

praktisch verder uit te dragen. Maar wij moeten er uiterst voorzichtig mede zijn. Men moet, als wij het woord „socialisatie" uitspreken, niet dadelijk tot ons kunnen zeggen.' „Gij zijt sociaaldemokraat." Het vraagstuk trekt ook zeer de aandacht der christelijke arbeiders en zij zijn zoekende naar een standpunt ten opzichte dezer zaak, daartoe gedwongen door de - sociale en ekonomische verschijnselen van dezen tijd. Ook vele christelijke arbeiders zien dat tal van zaken in de huidige maatschappelijke ordening niet zijn volgens de christelijke leer en den toets van Gods woord niet kunnen doorstaan. De socialisatie, die door de sociaaldemokraten als een nieuw evangelie wordt gepredikt, heeft een groote bekoring, ook voor de christelijke arbeiders. De bestrijding moet daarom geschieden in uiterst populairen vorm."

Toch een bewijs, dat er daar wat leeft, al geeft br. Smeenk tegenwoordig in het weekblad „Patr." weer op de socialisatie sterk af.

Bij de k a t h o 1 i e k e n is het vraagstuk niet minder aan de orde. Zoo sprak Kuiper in de Kamer 18 Nov. 1920 de volgende woorden:

„Ook in het katholieke volk van Nederland en eveneens in belangrijke niet-katholieke volksdeelen is, naar mijn vaste overtuiging, eveneens een groote kern, die, in het zedelijk en economisch belang onzer geheele volksgemeenschap, volkomen overtuigd is van de noodzakelijkheid eener ingrijpende reconstructie van de fundamenten waarop onze huidige productieverhoudingen rusten. Ongetwijfeld zal die rekonstructie zich voltrekken, Mijnheer de Voorzitter."

En verder:

„Van socialistischen kant propageert men de socialisatie.

Wij staan daartegenover heel objectief en ook niet afwijzend zonder meer. Niettemin hebben wij daarin veel minder vertrouwen dan in het van onzen kant geprojekteerde bedrijfsTadenstelsel, met uitgestrekte wettelijke bevoegdheden.

Dit laatste is naar onze overtuiging beter voor practische doorvoering vatbaar, past zich meer aan den maatschappelijkea ontwildcelingsgang aan en biedt minder gevaar voor maatschappelijke proefnemingen, die het gemeenschapsbelang in gevaar kunnen brengen.

Dit zegt echter geenszins, dat wij voor monopokebedrijven niet meer den kant van socialisatie op zouden willen gaan. De beide ideeën sluiten elkander trouwens niet geheel uit."

Later daarover lastig gevallen, schijnt hij wat teruggekrabbeld te zijn. De Strijd van het Vakverbond schreef 2 April 1921}

In de Tweede Kamer heeft de heer Kuiper verklaard, dat hij tegenover de socialisatie niet afwijzend staat zonder meer.

Uit een nadere verklaring van het orgaan van het R.-K. Vakbureau blijkt nu, dat hij slechts voorstander is van de volgende «lementen in de socialisatie:

Sluiten