Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

439

GEMOEDSBEZWAREN OUDERDOMSWET

21 April 1920 diende min. Aalberse een wetsontwerp in om aan de gemoedsbezwaren tegemoet te komen. De bezwaarden konden, als zij zich in geen enkel opzicht hebben verzekerd, van zegels plakken worden vrijgestelde, terwijl dan de werkgever verplicht is, een naar evenredigheid zijner verzekeringskosten verhoogde Rijksinkomstenbelasting te betalen. Het ontwerp kwam 1 Juli 1920 in openbare behandeling. L. M. Hermans zeide ervan o.a.:

„Het blijkt, dat wederom een aantal menschen pogen, met bijbelteksten brandkast of portemonnaie te beschermen. In de Memorie van Antwoord wordt medegedeeld, dat een aantal werkgevers — veel of weinig, dat wordt niet gezegd — meer portemonnaiebezwaren hadden dan gemoedsbezwaren, maar er zijn natuurlijk ook menschen, die te goeder trouw zijn. De regeering beeft daarop dit uitwegje gevonden: de gemoedsbezwaarden zijn verzekerd zonder dat zij een daad behoeven te doen en, hocus pocus, dan is er geen gemoedsbezwaar meer. Als de gemoedsbezwaren waarachtig zijn, moet de man later weigeren de rente in ontvangst te nemen".

H. vroeg ook naar eerbiediging van gemoedsbezwaren bij den militairen dienstplicht. Het ontwerp werd 1 Juli '20 zonder hoofdelijke stemming aangenomen (bladz. 3010). De Eerste Kamer deed hetzelfde 2 Dec. 1920. De wet kwam 4 Dec. 1920 in het Staaatsblad (No. 850) en trad terstond in werking.

Bij kon. besluit van 28 Sept. 1920 (Stbl. 760) verscheen een alg, maatregel van bestuur tot instelling van de gelegenheid om de premiën te betalen door middel van dagzegels. Dit voor arbeiders, wier dienstbetrekking minder dan 4 dagen duurt, dus voor de losse arbeiders, werkvrouwen, naaisters, enz.

Ouderdomswet. — 20 Juni 1919 werd een ontwerp ingediend voor de vr ij willige ouderdomsverzekering. Volgens art. 10 kan ieder Rijksingezetene, die den leeftijd van 35 jaar nog niet bereikt heeft en die zelf of wiens echtgenoot niet naar een inkomen van meer dan 2000-gulden (voorgesteld werd 9 Juni '21 om hiervan 3000 te maken) in de Rijksinkomstenbelasting is aangeslagen, is bevoegd zich bij de Bank te verzekeren vcor eene rente na het bereiken van den 65-jarigen leeftijd. Dezelfde bevoegdheid verkrijgt de ingezetene, die bij het in werking treden van deze wet den leeftijd van 35 jaar, doch dien van 65 jaar nog niet bereikt heeft, zoodra hii niet meer aan de - in artikel 24 gestelde welstandseischen voldoet. De rente bedraagt, naar keuze van den verzekerde, drie, vier, vijf of zes- gulden per week.

Bij overlijden wordt ƒ 100 uitbetaald.

Gedurende de eerste vier jaren na het in werking treden van dez wet, is ieder Rijksingezetene, die den leeftijd van 35 jaar doch dien van 65 jaar nog niet bereikt heeft, mits hij zelf" of zijn echtgenoot niet in de vermogensbelasting en niet in de inkom-

Sluiten