Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

445

LANDBOUW-ONGEVALLiENWET — ZIEKTE-VERZEKERING

drijfsvereeniging, dan wel het risiko van de verzekering zijner arbeiders wü zien gedragen door het openbaar orgaan. Wat deze laatste wijze van verzekering betreft, is de organisatie aldus ontworpen, dat de Rijksverzekeringsbank de draagster is van hei'risiko der verzekering, terwijl de Verzekeringsraden en de Raden van Arbeid zullen worden belast met de daden van uitvoering, welke beter door lokale organen dan door een centraal .lichaam kunnen worden verricht. Beroep is op de Raden en der Centralen R. van Beroep.

Bij de vaststelling van het bedrag van het dagloon wordt zooveel mogelijk als maatstaf genomen het bedrag, dat de arbeiders, behoorende tot de betrokken groep, in een jaar gemiddeld verdienen door arbeid, zoowel in loondienst als voor eigen rekening verricht. Het bedrag van het dagloon wordt bepaald op een driehonderdste gedeelte van deze gemiddelde verdienste.

De uitkeeringen komen overeen met die der bestaande ongevallenwet van 1921.

Ziekte-verzekering. — De Ziektewei-Tahna is nog nimmer in werking getreden, doch al spoedig beloofde min. Aalberse» dat hij de wet na geringe wijzigingen zoo spoedig mogelijk wilde invoeren. Intusschen werd in het N. V. V. en het kollege Centraal Beheer onder leiding van den oud-minister Posthuma, een plan geopperd, waarbij- de verzekering zou worden gelegd in handen van dit lichaam, onder medewerking van werkgevers en arbeiders. De arbeiders zouden dan geen premie betalen, bij ziekte 80 percent van het loon ontvangen, in pl. v. 70 percent. Men hoopte aan die zijde voor overbodige bureaukratie te worden gespaard. Intusschen vond dit plan sterk verzet van sociaaldemokraten als Duys en anderen, waaronder vooral ambtenaren aan de Raden van Arbeid. Men vreesde vooral onvoldoende waarborgen voor de arbeiders en versnippering der arbeidersverzekering. Het kongres der S. D. A. P. nam in 1921 te Utrecht daarover de volgende resolutie aan:

„Het kongres,

herinnerende aan de resolutie inzake de Sociale Verzekering, aangenomen op het kongres te Utrecht in 1911, waarbij voor de ziekteverzekering werd geëischt, dat één derde der premie «zou worden betaald door de werkgevers, die bovendien de volle premie voor het bijzoner ziekte-risiko van hun bedrijf zouden hebben op te brengen, één derde door de arbeiders en één derde door den Staat, terwijl de organisatie hierin zou bestaan, dat de (invaliditeits- en) ziekenkassen organische en demokratisch bestuurde lichamen zOuden vormen, met zelfbestuur der verzekerden,

en konstateerende, dat de in 1913 aangenomen, maar nog nimmer ingevoerde Ziektewet-Talma aan deze eischen niet voldoet en dat hare invoering een groote versnippering van de kassen zal medebrengen, zoodat een groot aantal kleine kassen in

Sluiten