Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPOORWEG-POLITIEK

456

links, waarbij echter de latere vrijh.bonders Dresselhuys, van Doorn, Niemeijer, v. Rappard en Visser v. IJz. mee tegen stemden en v. d. Laar en A. P. Staalman mee voor. De motie-v. d. Laar werd aangenomen met 44 tegen 41 stemmen, rechts tegen links, met Lely en Rink mede voor (bladz. 1493-4),

Dec, 1920 was er weer gisting onder het personeel. De Loonraad had een voorstel tot loonsverhooging gedaan in zijn vergadering 'van 4 December en de minister bleek tegen dat voorstel bezwaar te hebben, 7 Dec. 1920, terwijl de debatten over htdst. Waterstaat voor de deur stonden, diende mr. Treub de volgende motie in:

„De Kamer, van oordeel, dat het ter bevordering van een goeden geest onder het spoorwegpersoneel gewenscht is, dat gevolg wordt gegeven aan het advies, uitgebracht door den Loonraad voor het spoorwegpersoneel in zijne vergadering van Zaterdag 4 December j.1.;

gaat over tot de orde van den dag".

Van Ravesteijn was bezig te interpelleeren over de spoorwegzaken en over het ontslag van twee kommunistische spoorwegambtenaren, waarbij hij een motie had ingediend om dat ontslag af te keuren, Kleerekoper besprak de zaken van het. personeel voor de sociaaldem. fractie. De motie-Treub werd 8 Dec. 1920 verworpen met 39 tegen 21 stemmen. Voor de sociaaldemokraten, kommunisten met Kolthek, de kath. Kooien» de vrijh.bonders de Muralt, v. Rappard, Rink en Lely en v. d„ Laar.

Een motie-Kleerekoper, luidende:

,,De Kamer, van oordeel, dat het wenschelijk is, het systeem van evenredige vertegenwoordiging ook in de toekomst bij de samenstelling van den Loonraad te handhaven", enz. werd verworpen met 45 tegen 17 stemmen, aie van de sociaaldemokraten, de kommunisten, v. d. Laar en Lely (bl, 885).

Eind 1921 kwam het plan van de directies aan het licht, om den diensttijd uit te breiden. Er was een tekort van vele millioenen en er moest bezuinigd worden. Braambeek was intusschen in 1921 in de Kamer gekomen en deze hield een rede bij de behandeling van de begrooting van waterstaat op 29 Nov1921, Toen was van het plan tot verlenging» van den diensttijd nog niets bekend, doch Br. giste reeds op de mogelijkheid. Hij" gaf toe, dat het bedrijf uit moet kunnen, doch verlangde dan een goed beheer en bezuiniging op onnoodige uitgaven. Hij wees op enkele omstandigheden van financieelen aard en op fouten in de dienstregeling, waardoor het tekort mede kon ontstaan. Ook besprak hij den Loonraad, den veerdienst-Enkhuizen enz.

Na deze debatten kwam het plan tot uitbreiding der diensttijden. Wijnkoop was er happig bij om er een interpellatie over aan te vragen. Dan zal echter ook de meest deskundige in de Kamer ook een woordje meespreken!

Sluiten