Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

507

WONINGVRAAGSTUK

van bijzondere omstandigheden van plaatselijken aard wordt gesproken, maar dat ook met bijzondere omstandigheden, verband houdende met een bepaalde branche, een bepaald seizoen of bepaalde uren, rekening zal kunnen worden gehouden.

WONINGVRAAGSTUK.

Zooals bekend, was de gewone Woningwet van 1901 niet berekend op een buitengewonen tijd als die onder de mobilisatie, zoodat noodwetten in de leemte moesten voorzien. Door stilstand in de bedrijven en door de duurte der materialen werd veel te weinig gebouwd, zoodat een schrikbarende woningnood ontstond. Dientengevolge kwamen 1917 de Huurkommissiewet (1918), de Huuropzeggingswet (1918), de Woningnoodwet (1921) en tenslotte de Huuraanzegg i n g s w e t tot stand; terwijl ook de Woningwet (van 1901) zelf werd herzien. Reactionaire elementen hebben uit den treure beweerd, dat de woningschaarschte hier te lande een gevolg is van die wetten, omdat zij den part. woningbouw zouden tegenhouden; doch gemakkelijk kon het vooze hiervan worden aangetoond. Immers, ook in landen, waar aan wettelijke regeling Van het woning-vraagstuk weinig of niets wordt gedaan, als in de Ver. Staten van Noord-Amerika, is eveneens buitengewone woningnood. Zoo citeerde Schaper 4 Nov. 1920 in de Kamer een krantenbericht van 29 Oktober daarvóór, luidende: „Huwelijken en woningnood.

Op een vergadering van handelsorganisaties, gehouden te Chicago, heeft F. Roger Miller, een secretaris- van een Kamer van Koophandel, medegedeeld, dat er in de Vereenigde Staten het afgeloopen jaar 1.000.000 huwelijken zijn gesloten, terwijl er slechts 70.000 nieuwe woningen waren gebouwd. Volgens dezen heer Roger Miller zijn de Vereenigde Staten het eenige groote land, waar men niet inziet, dat het woningvraagstuk een nationaal vraagstuk is."

Over heel de wereld wordt die nood aangetroffen. Zonder wetgeving op dit gebied zou de toestand nog veel slechter en zouden vooral de prijzen nog veel hooger zijn. Wel worden de bestaande wetten soms door allerlei truks — als „sleutelgeld" en onderverhuringen — ontdoken, doch dit bewijst niet, dat ingrijpen van den wetgever niet noodzakelijk en zelfs nadeelig zou zijn. Schaper sprak 4 Nov.' 1920 (bladz. 293) dan ook te dezer zake in de Kamer;

„De minister schrijft ook in zijn .'Memorie van Antwoord op bladz. 1; „Overheidsvoorziening in de woningbehoefte werkt langzamer dan de partikulier* nijverheid". Dit schijnt een modedeun te worden. Het is mogelijk waar, maar wat heeft de partikuliere woningbouw altijd geleverd? Werk licht en dicht; gauw optrekken; slechte maren; slecht materiaal. Dikwijls ware krotten

Sluiten