Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WONINGVRAAGSTUK

520

ger huurprijs goedgekeurd of vastgesteld, indien de verhuurder aannemelijk maakt, dat de hoogere huurprijs redelijk is in verband met de hoogere uitgaven, die hij ter zake van de woning heeft te bestrijden.

De huurkommissie vermag in geen geval een huurprijs vast te stellen beneden dien, Welken de verhuurder volgens de artt. .1 en 2 bevoegd is te bedingen."

20 pet. verhooging zou echter de H.K. altijd mogen toestaan, in plaats van vroeger 10 pet., boven den prijs op 1 Jan. 1916.

4 en 9 Nov. 1920 kwamen de ontwerpen tegelijk in openbare behandeling. Van de zijde van de Vrijheidsbond — de heer Abr. Staalman — en vanwege den kath. heer Van Vuuren en den christ.-hist. heer Snoeck Henkemans — werden redevoeringen gehouden tegen een voortgaande bescherming, ook de heer Otto was voor een deel reactionair. De chr. en kath. arbeidersleiders Smeenk en Haazevoet spraken eenigszins anders. De soc.-demokraten bestreden bij monde van Schaper de reactie, bepleitten de socialisatie van den woningbouw, verzetten zich tegen sommige der voorstellen en verdedigden de vorming van een Rijkswoningfonds. De sociaaldemokraten stelden voor:

lo. de onvoorwaardelijke vermeerdering met 20 pCt. der huur (in art. 1) te schrappen;

2o. de voorgestelde terugwerkende kracht tot den dag van het verzoek om verhooging, slechts te doen plaats hebben „onder te stellen voorwaarden" (zoodat b.v. de huurders het achterstallige bedrag zouden geleidelijk kunnen afbetalen);

3o. aangaande art. 5, betreffende het fonds:

„De huurkommissie staat geleidelijk huurverhoogingen toe, totdat een billijke opbrengst voor de woning wordt verkregen, met dien verstande;

lo. dat .geen huurprijs wordt goedgekeurd of vastgesteld, welke meer bedraagt dan 50 pCt. boven den huurprijs, geldende op 1 Januari 1916 of daarna;

2o. dat de helft van de na 1 November 1920 toegestane hoogere vergoeding wordt gestort in een Rijksfonds, waarvan ae opbrengst wordt aangewend ten bate van de volkshuisvesting in het algemeen;

3o. dat geen verhooging wordt toegestaan indien volgens het oordeel der huurkommissie de woning niet verkeert in een behoorlijken staat van onderhoud.

De storting, bedoeld onder 2 van het vorige lid, is niet of niet ten volle geboden indien en voor zoover de verhuurder aannemelijk maakt, dat de hoogere huurprijs geheel of voor een deel redelijk is in verband met de hoogere uitgaven, die hij ter zake van het onderhoud van de woning heeft te besteden."

Het tweede lid wordt derde lid, terwijl in den tweeden regel het woord „vorige" gewijzigd wordt in het woord „eerste".

4o. na artikel 9 in te voegen een artikel 9bis, luidende:

Sluiten