Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

517

DB TOEPASSING DER WONINGWETTEN

De toepassing der woningwetten liet in zooverre van regeeringswege te wenschen over, dat de toekenning der voorschotten enz. zeer lang op zich liet wachten en bovenal, dat de eene cirkulaire de andere opvolgde, zoodat telkens weer de plannen moesten worden gewijzigd. Zoo werd 4 Nov. '20 in de Kamer medegedeeld een schrijven van het ministerie van arbeid, d.d. 22 Juni aan de Woningbouwvereeniging „Delfland", luidende aldus:

„Het ligt in de bedoeling in het vervolg geen voorschot uit 's Rijks kas meer te verleenen voor den bouw van woningen met een grooteren inhoud dan 300 kub. M., en woningen met een inhoud van 275 tot 300 kub. M., slechts tot een beperkt percentage in een met Rijksvoorschot uit te voeren bouwplan toe te laten. Daarbij zal als eisch worden gesteld, dat de woningen van 225 tot 275 kub. M. een zoodanige huur opbrengen, dat 60 pCt., woningen van 275 tot 300 kub. M. een zoodanige huur, dat 70 pCt. van de exploitatiekosten wordt gedekt.

In verband met een en ander zal het overgelegde bouwplan, om voor Rijkssteun in aanmerking te komen, omwerking behoeven."

Eerst had Schaper daarover een motie voorgesteld, doch* daar de door hem verkregen inlichtingen omtrent de hoogtemaat niet geheel juist waren, werd deze motie ingetrokken. De veranderlijkheid der eischen bleef er echter door onaangetast. Dit vertraagde den bouw en toch is er zooveel nood. Volgens den woninghervormer de heer Bloemers, was vóór den oorlog de achterstand reeds 25.000 woningen per jaar en is die einde 1920 in het geheel 400 a 450.000. Tien jaar lang zal men jaarlijks 40 k 45.000 woningen moeten bouwen en drie milliard moeten uitgeven, om den achterstand in te halen. De ingenieurs Faber, Keppler e.a. sloten zich bij die cijfers aan.

Volgens de cirkulaire van 30 Juli 1920, gewijzigd 7 Maart 1921, moeten woningen beneden 225 M3. in den regel opbrengen een huur van ten minste 50 pCt der exploitatiekosten, tot 275 M*. 60 pCt. en tot 300 M3. ten minste 70 pCt. dier kosten. Bij de vaststelling der definitieve huren moet overigens rekening worden gehouden met de hoogere draagkracht der huurders. Ook de bestaande bouwvereenigingen, met vóór den oorlog gebouwde huizen, moeten hieraan voldoen. De hoogte der woonverdiepingen moest als regel 2.70 M., van de slaapverdiepingen 2.40 M. zijn; Als regel moeten de arbeiderswoningen uit 1 woon- en 3 -slaapkamertjes bestaan. Bij onder- en bovenbouw kan hiervan worden afgeweken.

Voor middenstandsbouw waren, zooals reeds blijkt uit laatstbedoelde cirkulaire, intusschen ook maatregelen genomen. Ook de sociaaldemokraten hebben op steun op dit ge¬

bied aangedrongen. Bij* kon. besluit van 6 JNov. 1919 werd voor het eerste bepaald, dat steun voor bouw van middenstandswoningen; zott worden gegeven. Deze bijdragen zouden als regel

Sluiten