Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

w ONINGVRAAOSTÜK

518

tezamen niet meer bedragen dan lVa maal de kosten van de uitvoering van zulk een bouwplan in 1914. Volgens de 7 Maart 1921 gewijzigde cirkulaire van 30 Juli 1920 wordt alleen subsidie gegeven voor woningen met niet meer dan 450 M3. inhoud. De huur moet voortaan berekend worden op den grondslag van 170 a 200 pCt. van de bouwkosten van 1914.

De premïebouw voor partikulieren was intusschen ook ingevoerd. Van soc.-dem. zijde heeft men zich er aanvankelijk niet tegen verzet, omdat alle middelen geboden waren tegen den ontzettenden nood. Volgens een „bekendmaking" in de St.crt. van 12/13 Nov. 1920, werden de premies geheel voor Rijksrekening genomen, terwijl het Rijk zorgt voor hypothekair krediet, met een rentevoet van 6 pCt., met aflossing in 15 jaar. Volgens eens „bekendmaking" van 7 Dec. '20 werd de premie slechts verleend voor woningen met een maximum van 450 M3., behalve voor Amsterdam zullen zij een bedrag van ƒ 2000 niet overschrijden, (eerst was dit bedrag ƒ 1500), in het algemeen berekend naar ƒ 20 per M2. woningoppervlakte. • De hypotheken werden verschaft voor 90 pCt. van de kosten buiten de premie. 1 April 1921 kwam er weer een nieuwe „bekendmaking". Thans mocht de premie de ƒ 1700 niet overschrijden. Voor woningen van 300 M3. (niet meer 450), was nu de premie ƒ 20 per M2., voor die van 300—450 M3. ƒ 17 per M2. oppervlakte. Voor woningen van meer dan ƒ 8700 zou de premie niet worden verstrekt, en het maximum der hypotheek zou ƒ 6000 per woning bedragen, eventueel vermeerderd met de getaxeerde waarde van den grond. 20 Febr. '22 werd de premie tot ƒ900.— teruggebracht.

De kosten voor den premiebouw liepen intusschen vreeselijk op en van verschillende zijden kwamen berichten van misbruik, doordat gegoede menschen maar ten deele van Rijksgeld woningen bouwden, om dan de oude tegen flink geld te verhuren. Het stelsel ontaardde.

Toch scheen de minister de voorkeur te geven aan premiebouw, wat mede bleek uit het volgende, waaruit de reactionaire neiging van de regeering op het gebied van den woningbouw maar al te duidelijk bleek:

De cirkulaire van 1 Juni 1921. — Plotseling verscheen deze bekendmaking aan de gemeentebesturen. De korte inhoud, met de berekening die er in gegeven werd, kwam hierop neer.

„Het groote aantal aanvragen om voorschotten en bijdragen krachtens de Woningwet en de ontwikkeling van den partikulieren bouw van woningen, die de gunstige verwachtingen verre overtreft, leiden er toe dat de regeering haar standpunt met opzicht tot de voorziening in den woningnood nader bepaalt. ..

Sluiten