Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WONINGVRAAGSTUK

522

van den Woningwetbouw zullen worden uitgesloten. Zoo ja, waarom? Zoo neen, wil de minister dit bekend maken?

5. Welk bedrag en voor hoeveel woningen is tot . heden aan premiën voor den partikulieren woningbouw uitgekeerd? Vindt de minister niet, dat van dien premiebouw ten bate van persoonlijke belangen somwijlen misbruik wordt gemaakt?

6. Is de minister bereid de cirkulaire van 1 Juni 1921 in te trekken, althans voor onbepaalden tijd buiten werking te stellen, en den aanbouw van meer volkswoningen met Rijkssteun krachtig te bevorderen in dier voege, dat de voortzetting van dien bouw regel zij en onthouding van steun, voor gemeenten waar na onderzoek blijkt in de behoefte te zijn voorzien, uitzondering?

7. Is de minister bereid, hierbij den vereenigings- of gemeentelijken bouw, krachtens de Woningwet, in geen geval achter te stellen bij den premiebouw?

Er werd op gewezen, dat de gebouwde woningen in premiebouw voor een groot deel middenstandswoningen zijn, die in menige gemeente, als den Haag en Sleen, nog zeer noodig is, maar in vele plaatsen niet zóó dringend als de bouw voor de arbeiders. Afschaffing van premiebouw werd niet gevraagd, maar wel waken tegen misbruik door den bouw van landhuisjes enz. en geen vóórtrekking bij den vereenigingsbouw.

De minister gaf op vraag 4 een nogal bevredigend, op schier alle andere een onbevredigend antwoord. De minister- beriep zich voorts op het vele, vooral vergeleken met andere landen, wat in Nederland reeds was gedaan, zonder evenwel te weerspreken den ontzettenden nood, die hier nu eenmaal nog i s.

De berekening van den heer Bloemers werd betwist en aangaande de bestede sommen (die evenwel voor een belangrijk deel voorschotten zijn en dus terugkeeren) werd medegedeeld:

„Terwijl vóór 1917 jaarlijks slechts enkele tonnen, later misschien enkele millioenen voor den woningbouw werden besteed, stond de regeering toe aan voorschotten voor woningbouw en grondaankoop: in 1917 ƒ51.187.109; in 1918 ƒ 51.168.014; in 1919 ƒ 94.700.810; in 1920 ƒ 154.489320; in 1921, tot 1 September, ƒ 218.087.447. Dus totaal in nog geen 5 jaren — van 1 Januari 917 tot 1 September 1921 — ƒ570.148.700. Daarbij;komt nog over 1921, dus over de eerste 8 maanden, 383 millioen gulden voor premie en rond 29 millioen gulden voor hypotheek. Het totaal alleen over 1921 tot 1 September is dus geweest 2853 millioen gulden en het totaal over het tijdvak van 1 Januari 1917 tot 1 September 1921 ruim 637,5 millioen gulden."

In Amsterdam werd van 1917 tot 1 September 1921 toegestaan aan woningwetvoorschotten rond 73V2 millioen. Daarvan werd slechts uitbetaald, zei de minister, en dus verwerkt, rond 37 millioen, dus slechts de helft. Toegestaan werd in dien tijd 33V< millioen, uitbetaald 20Vt millioen, dus 3/5. In Rotterdam Werd toegestaan 661/» millioen, waarvan werd uitbetaald en ver-

Sluiten