Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WONINGVRAAGSTUK

524

vrijzinnigen het niet de moeite waard, met een woord aan de diskussie deel te nemen,

Mr, Marchant zei 16 Sept. de .enormiteit, dat de bevordering van den wonigbouw te wenschen laat, maar dat dit niet het gevolg is van de cirkulaire. „Wat de tweede motie betreft, uit de toelichting van den voorsteller dier 'motie blijkt, dat van aanneming der motie het gevolg zou kunnen zijn een verzwakking van den steun ter voorziening in de woningbehoefte van een maatschappelijke groep, die hieraan vooral niet minder behoefte heeft dan de groep der eigenlijke arbeiders. Als aanmaning tegen het misbruiken van Staatsgeld acht ik de motie overbodig". Aldus mr. Marchant.

Schaper zei hiertegen het volgende:

„Daartegenover konstateer ik, dat de cirkulaire is de formuleering en belichaming van een taktiek, waardoor de woningbouw wordt geremd en het woningtekort niet op tijd wordt ingehaald. In de tweede plaats wat betreft mijn tweede motie, verklaar ik, dat het niet in de bedoeling dezer motie ligt en het er ook niet in staat, dat „zekere groepen" zouden worden benadeeld ten aanzien van den woningbouw. Ik ben in mijn redevoering ook opgekomen voor den middenstandswoningbouw. Ik heb niet beweerd, dat die bouw moest worden stopgezet. Ik heb alleen in de tweede motie gesproken over voorkeur voor den premiebouw en den partikulieren bouw boven den woningwetbouw. Wanneer de heeren tegenstemmen willen, kunnen zij dat doen, maar dan moeten zij dat doen op valsche en verkeerde motieven".

Mr. Rink's verklaring kwam ongeveer hierop neer, dat de cirkulaire op zich zelve niet slecht en alleen de toepassing wat foutief is, zoodat intrekking praematuur (voorbarig) zou zijn. Ten aanzien van de tweede motie heette het, dat, hoewel uit den aard der zaak gaarne instemmende met de uitspraak, dat tegen misbruiken van welken aard ook dient te worden gewaakt, opdat de Rijksgelden deugdelijk aan het gestelde doel beantwoorden, kwam mr. R. het eerste gedeelte van de motie veel te stellig' en te algemeen geformuleerd voor.

Hier dus ook de duidelijke onwil om den gemeenschapsbouw niet achter te stellen bij den partikulieren bouw. (Zie bl. 3017— 3049 en 3056 Hand. 1920-1).

Sedert dien kramen de kerkelijken nog steeds den afloop dezer interpellatie als een overwinning van min. Aalberse — omdat de slappe Kamer de motiën verwierp. Daartegenover sta dan echter, dat in Nov. 1921 de Haagsche gemeenteraad met algemeene stemmen de woningpolitiek van den .minister afkeurde.

„Het moest den minister toch eigenlijk wel tot inkeer brengen", zegt de Haagsche „Strijd" van 26 Nov., „als mannen als Van Steenbergen, Borghols en Verburg, partijgenooten van het huidige ministerstel en tot in merg en nieren tegenstanders van

Sluiten