Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

Volgens hem is de deugd zijn eigen belooning. Hij zegt dan niet met Kant dat de deugd geluk waard is, maar dat zij het geluk is; evenmin zegt hij met Spinoza dat de gelukzaligheid de belooning van de deugd is, maar dat zij de deugd zelf zou zijn. Ongelukkigerwijze deelt Guyau, een vrij raadselachtige door Janet opgeworpen quaestie citeerende, niet de zeer duidelijke woorden mee die iets verder bij dezen voorkomen. Wel lezen we de door Janet gestelde vraag: „concevrait-on un triangle géométrique qui, par hypothèse, serait doué de conscience et de liberté, et qui, ayant réussi a dégager sa pure essence du conflit des causes matérielles qui tendent de toutes parts a violenter la nature, aurait en outre besoin de recevoir des choses extérieures un prix pour s'être affranchi de leur empire?" Maar wat Janet eenige bladzijden verder zegt, (p. 594) wordt ons onthouden: „Cependant les philosophes spéculatifs habitués è la pensée pure ont trop fait consister la future dans la conservation des pures pensées. C'est la doctrine d'Aristote, c'est la doctrine de Spinoza. Mais ces philosophes et ces savants ont un peu trop concu la vie divine sur le modèle de ce qu'ils ont le mieux aimé dans la vie terrestre." Had Guyau deze woorden wèl geciteerd, dan zou hij tevens een o. i. beslissend oordeel over zich zelf hebben uitgesproken. Wanneer hij lust heeft gehad in zijne naar den vorm steeds onovertrefbare verhandeling de menschelijke wereld te verlaten om een goddelijke metaphysische wereld binnen te treden, was dit zijn zaak. Eenige gevolgtrekking voor ons, gewone stervelingen, brengt dit echter niet Zelfs wanneer het Guyau wellicht gelukt is, de misbaarheid van Sancties voor het metaphysische aan te toonen, laat dit de quaestie of wij er in onze menschelijke wereld buiten kunnen, geheel en al onbeslist Hoewel geen sanctie denkbaar is waaraan niet iets

Sluiten