Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

HET LOF- OF BELOONINGSRECHT. ยง 1.

Wat er voor een lofrecht te zeggen valt.

Onze tijd kenmerkt zich meer dan ooit door een geest van critiek in alle kringen, hier meer, daar minder, maar overal eenigszins. Veelal critiek zonder waardeering. In het algemeen is men van Oordeel, dat dit niet anders kan, dat de tijden dit zoo meebrengen. Nu geeft men aan het woord critiek, door daaraan een uitsluitend afkeurende beteekenis te hechten, natuurlijk een verkeerde uitlegging, omdat in dit woord niets is wat die beperking motiveert Integendeel is een werkelijke critiek een hecht oordeel zonder partijdigheid, noch welwillend, noch kwaadwillig, terwijl in de wijsbegeerte het criticisme sinds' Kant zich hoofdzakelijk plaatst tegenover het dogmatisme. Hoe ook, hoewel de afkeurende zin aan het woord zelf niet eigen is, ondervindt de critiek zelf al meer en meer in hoogen graad den invloed van een haar voedende menschelijke neiging: de neiging om eerder af te keuren dan goed te keuren. In het meerendeel der critieken overweegt het afkeurende oordeel. En hoewel ongetwijfeld andere uitersten, overdadige loftuiting, quantitatieve of qualitatieve inhoudsloosheid en zeer zeker de speciaal ook hier veel voorkomende do-ut-des politiek, al even ongewenscht zijn, motiveert dit in geenen deele deze eenzijdigheid, die bovendien

Sluiten