Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

73

vaak dienen moet om 's criticus verbazende kennis aan den man te brengen. Volgens Holbach (Justice laudative Bruxelles Paris 1904 p. 22) is er zelfs een fataliteit dat de menschelijke rechtspraak onverschillig blijft voor het goede en zich er toe beperkt het kwade te straffen. '„Vous n'aurez pas même" zegt hij „è chercher des arguments. Des écrivains de grande autorité vous prêteront leur appui pour signaler, dans la psychologie, des faits de nature è causer la permanence d'une justice aussi imparfaite", waarvoor dan achtereenvolgens worden geciteerd Machiavelli (Titus Livius ch. I), Seneca (1. V § XVII) en Tacitus (Geschiedenis t. II, I1L IV). Hoewel alleen het eerste citaat duidelijk genoeg is om ons het beroep der beroemde schrijvers op de genoemde menschelijke neiging te doen ontdekken, kunnen we het voor zeker houden dat deze bestaat; de dagelijksche ervaring geeft daarvan de bewijzen. Men heeft alle reden de critiek in haar origineelen vorm voor zeer nuttig te houden; zij is zonder twijfel nuttig en noodig voor vooruitgang. Maar er is ware en verkeerde ontevredenheid, ware en verkeerde critiek. En dus is het tevens wenschelijk dat zij de grenzen van hare werkelijke beteekenis niet overschrijdt Door zoowel het goede als het kwade tegelijkertijd te bevatten neemt de critiek een hoogeren, de waarheid meer benaderenden vorm aan en is tegelijkertijd sympathieker in de oogen van al degenen, die zich niet laten leiden door een smaak voor het pikante en grove. De overmaat van afkeurende critiek kan zelfs gevaarlijk worden doordat zij een hyperpessimistisch, hypochondrisch karakter gaat aannemen. Denken we b.v. aan het pathologisch karakter van een leer, welke slechts het duister ziet en zich in uitersten te buiten gaat, van een philosophie die eenzijdig de overigens nuttige Schopenhaueriaansche denkbeelden — één Schopenhauer bracht de wijsbegeerte meer vooruit dan honderdtallen

Sluiten