Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

83

lende natuurvolken van tegenwoordig nog absoluut niet toe zijn.

Welnu, deze wetgeving bevat enkele teekenen van een belooningsrecht. Naast straf kent men er belooning. De paragrafen 215, 221, 228 en 234 bewijzen het. Zij beloven den arts wiens operatie of behandeling in zekere gevallen is geslaagd, aan den bouwmeester die den bouw van een huis voleindigt, den schepenbouwer die een schip van 60 gur bouwt, zekere prijs of belooning. Terwijl men voor het oogenblik niet zeker is of dit de eerste maal is dat zulke artikelen bestaan hebben — men neemt in het algemeen aan, dat dit rechtsstadium niet iets primitiefs kan zijn, dat de wetgeving van Hammourabi niet een totaal origineele creatie kan zijn, terwijl men nog verder zoekende is naar zijn juisten oorsprong — is bekend, dat deze wetgeving, hier en daar gewijzigd gedurende verschillende eeuwen in het Babylonische koninkrijk heeft gegolden. Men kan verder de gangen van den Code van Hammourabi tot den nieuw-Babylonischen tijd volgen,- zijn recht is waarschijnlijk door de Perzen overgenomen. Doch verder is het niet gemakkelijk den loop van dit Recht te volgen.

Holbach gaat in zijn bovengeciteerde verdienstelijke, doch begrijpelijkerwijze in menig opzicht de kenmerken van den aanvangsarbeid dragende, studie drie rechtshistorische perioden na, waarin grootere of kleinere symptomen van een embryonnair lof- of belooningsrecht te vinden zijn; het Romeinsche recht, het Kanonieke recht en het recht gedurende de Fransche revolutie. Voor het Romeinsche recht geeft vooral Jhering aanwijzingen, misschien sterk genoeg om er het bestaan van aan te nemen. Volgens hem is het gebruik dat de maatschappij tegenwoordig van de belooning maakt heel wat minder dan dat wat ze maakt van de straf; in dit opzicht is ze heel wat, bij de Oudheid vergeleken, achteruitgegaan.

Sluiten