Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

84

Want Jhering neemt aan dat de Romeinsche staatsman op geheel gelijke wijze over de straf en de belooning beschikt als middelen'om sociale doeleinden te verwezenlijken; een Romeinsch rechtsgeleerde zou, voor wat het einddoel van het recht betreft, niet aarzelen belooning en straf op dezelfde lijn te plaatsen. Daar de door Jhering aangevoerde bewijsplaatsen tamelijk zwak zijn — „De jure triuniphandi" bij Valeriüs Maximus II, 8 en een proces over de corona muralis bij Titus Livius 26,48 — tracht Holbach elders een sterkeren steun te vinden. Zoo geeft Cicero hem slechts een bevestiging van het beginsel, onvoldoende om tot een zelfs gedeeltelijke toepassing in de practijk te besluiten. Terwijl men bij de door Jhering geciteerde schrijvers hoogstens het bewijs zou kunnen vinden, dat zekere wapenfeiten op belooningen recht gaven, blijft het geheel en al twijfelachtig of deze belooningen een gerechtelijk proces medebrachten. Alleen de levensbeschrijving van Paul Emile bij Plutarchus §§ 33 v. schijnt op dit punt beslissender, daar de overwinning van Paul Emile aanleiding geeft tot een volksstemming, tot een pleidooi vóór en een tegen de toekenning van belooning. Nu schijnt de toekenning van belooningen te Rome zeer populair geweest te zijn, vooral om de militaire deugden op te hemelen; terwijl de geestdrift voor de gedachte, de wetenschap, de kunst niet bijzonder groot was, waardeerde en beloonde men de militaire deugd gaarne. Hetgeen allerminst zeggen Wil dat er te Rome een volledig belooningsrecht was. Wanneer Holbach meent dat Jhering zich heeft laten verleiden door zijn zeer groote liefdevoor het Romeinsche recht om deze instelling, die hem zeer dierbaar was, erin te vinden, kan hij gelijk hebben. Doch geheel zeker is dit absoluut niet Terwijl het schijnt dat de Romeinsche rechtsgeleerden zich niet bewust zijn geweest van het in hun Recht voorkomen van de belooning als belangrijk

Sluiten