Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

97

§ 4. De bezwaren.

Het zou al zeer vreemd zijn, wanneer de neiging om eerder af te keuren dan te loven, die overal geldt, zich niet zou voordoen ten opzichte der idee die, juist front daartegen makende, de verdediging van een lof-, belooningsrecht inhoudt. Te meer zou men zich daarover moeten verwonderen, omdat zich daarbij een gunstige gelegenheid aanbiedt voor het zoo constant voorkomend verschijnsel van het misoneisme.

Onder de diverse denkbare tegenwerpingen is er vooreerst deze, die de moeilijkheid of onmogelijkheid van een juist criterium betoogt en naar het eigenlijke object vraagt dat men met dit recht zou wenschen te beschermen. Voor een oogenblik de plausibiliteit der quaestie aannemend, mag men daartegenover evenwel deze andere stellen: Wat is dan wel precies de misdaad, welke men door het strafrecht wenscht te bestrijden? En op die vraag kan men dan niet slechts één antwoord geven, maar zeer verschillende. Al naar gelang men het misdrijf eenvoudig beschouwt als het afkeuringswaardige, de zonde, goddelijke wil geopenbaard in de wet, wettelijke normoverschrijding, als schennis van het „contrat social", schennis onvereenigbaar met de qualiteit van burger of met de vrijheid, als een daad schadelijk voor de maatschappij of als daad, nalatigheid gestraft door dèn Staat, al naar gelang zou men de quaestie voor wat misdaad betreft beantwoorden. Waarom dan voor den tegenhanger een zuiver limitatief antwoord te eischen? Wanneer verschil van meening wat betreft misdaad de idee van een strafrecht niet in den weg staat, behoeft die omtrent verdienste geen bezwaar voor een belooningsrecht op te leveren. Maar,

7

Sluiten