Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106

1.: De geheele waarde der zoowel natuurlijke als kunstmatige belooning moet de kosten en bezwaren van den dienst overtreffen en 2.: De werkelijke belooning moet te minder belangrijk zijn naarmate de natuurlijke belooningen het temeer zijn. Wat de belooningen voor de deugd betreft, die hij behandelt om ze niet voorbij te gaan, hoewel hij meende dat de door hem gestelde beginselen hem er van ontsloegen tot de d├ętails over te' gaan, hier toonde hij vooral het verschil tusschen het wenschelijke en het mogelijke aan. Hier geldt het vooral waar en hoe men aan zijn natuurlijke belooningen de hulp der werkelijke belooningen kan toevoegen. Vooreerst meent Bentham dan dat het moeielijk is tot een keuze van de bijzondere karaktertrekken te komen; in welke periode moet men ze nemen en aan welke omstandigheid de belooningsonderscheiding hechten? Verder stelt hij de moeielijkheid een behoorlijke belooning te vinden. Vervolgens, nadat hij ook haar overbodigheid meent aangetoond te hebben, wijst hij op de noodzakelijkheid een zeer bijzonderen dienst te beloonen, voorkomend in een overigens zeer weinig achtenswaardig leven. Inderdaad te zamen schijnbaar groote practische bezwaren, waaraan men gemakkelijk nog wel enkele kan toevoegen als b.v. de ingewikkeldheid van het onderzoek, de groote kosten en de keuze van den beoordeelaar. Toch kunnen zij nooit ontheffen van de poging de beginselen te schetsen van een instelling, die ziclrnaar onze vaste overtuiging aanbeveelt door argumenten sterker dan de tegenwerpingen die men ertegen kan aanvoeren; en hoewel wij aan de practijk nog niet toezijn, zijn wij overtuigd dat bij de door ons voorgestane beperkte opvatting van het belooningsrecht, die bij de uiteenzetting der beginselen zal blijken, belangrijk schijnende bezwaren veel van hun beteekenis zullen verhezen.

Sluiten