Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

111

Terwijl speciaal onderwijs en opvoeding, geleid in de goede richting, ertoe zouden kunnen bijdragen, dat het karakter geleidelijk in de toekomst meer waarde zou hebben dan voorheen, zijn daarmede niet zij gediend, die intusschen ondanks of misschien tengevolge van hun karakter in onze onvolmaakte wereld ten onder gaan. Wanneer men door invoering van een lof-belooningsrecht erin slagen zou de meest onduldbare onrechtvaardigheden te bestrijden, door die hoogst lofwaardige daden aan te moedigen die, zonder ophef op behoorlijke wijze verricht, vaak worden bejegend met ondankbaarheid of negatie, door de schijnverdiensten terug te dringen en de werkelijke waarden meer naar voren te-laten komen, zou men zich van een nieuwen vooruitgang in de menschelijke ontwikkeling verzekerd hebben. En dat zou dan de groote overwinning zijn, die een nieuw recht zou kunnen behalen, wanneer men daarop het herstel van een onrecht zou kunnen gronden, dat, naarmate het langer bestaat, intenser treft en verergert. Daarom zouden speciaal zij, die door of niettegenstaande hun uitnemend karakter door ongeluk getroffen worden, moreele, materieele of moreel-materieele compensatie moeten krijgen. Speciaal voor hen, dien men onrecht heeft gedaan in weerwil van hun werkelijke verdiensten en die den noodigen strijd tegen minder scrupuleuze personen, met behoorlijke energie (dus buiten „het naakte egoïsme der kuiperij en het geweld zonder gewetensbezwaar") wenschen te voeren, zou het belooningsinstituut in de voornaamste plaats moeten dienen. Het derde beginsel raakt dus — geheel passend in het karakterkader waarin wij het lofrecht plaatsen — dezen aard der objecten van het voorgestane recht.

Men kan zich voorstellen, dat de ontwikkeling van dit recht, zich op deze drie beginselen grondend, een beginstadium en een min of meer definitief stadium

Sluiten