Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII.

Ada had 's morgens eenen brief van hare piëtistische tantes ontvangen, die haar geweldig had aangegrepen en verbijsterd. Daarin was een andere brief eener vriendin gevoegd — en bij haar rees het pijnigend vermoeden dat de kerkelijk nauwgezette dames het niet onwaardig geacht hadden dien brief te openen. Althans eenige onwillekeurige toespelingen op zijnen inhoud en de wijze waarop hij weder gesloten was wettigden dit vermoeden, dat voor een ander bijna zekerheid zou zijn. Maar een overblijfsel van de onderwerping waarin zij was opgevoed, deed haar vreezen dit vermoeden geheel aan te nemen en hare verontwaardiging te toonen. Zij vermaanden haar weder over haar zondig en ijdel leven en strooiden daar mede eenige kwaadspreking onder over haren omgang met een zoo diep verdorven mensch als Marciana. Neen, zondig en ijdel was Ada niet, en zij hadden haar veeleer Marciana in menig opzicht ten voorbeeld mogen stellen.

Marciana's verstand was door krachtige lectuur gestaald, haar karakter door haren wil gevestigd. Dichteres bij der Musen gratie, vond zij in haar talent eene uiting van het gevoel en werk voor den geest. De groote poëeten hadden aan hare idealen vasten vorm gegeven, maar niet die vlottende, onbepaalde embryonische gevoelens die te weeke naturen toi

Sluiten