Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIV.

Het kwam Marciana niet ongewoon voor als Ada somtijds de eenzaamheid zocht, maar thans nu het de derde dag werd waarin zij niets van haar bespeurde, begon zij te denken of haar iets mochtderen. Zij ging naar hare woning en vond de voorkamer ledig. De groote meubelen uit den tijd van het keizerrijk stonden ongezellig in het rond, geen boek of bloem of kleedingstuk toonde leven. Toen ging zij naar het slaapvertrek en vond Ada te bed.

— Kind! wat is er, ik hoor niets van je; foei, waarom heb je mij niet laten roepen?

Ada stak de hand uit, die kalm was. Bleekheid lag over haar vriendelijk gelaat, alleen de oogen gloeiden. Marciana zag dat zij koortsig was en, snel haar hoed en handschoenen ter zijde leggende, zette zij zich bij haar neder.

Ada vertelde haar allengs wat zij op haar laatste Wandeling gedaan, gedacht, geleden had. Marciana wipte even het huis uit en kwam terug met een paar oranjes en ijs en maakte een koelen drank. Zij wiesch haar de slapen en polsen, legde een frisch linnen onder haar gelaat, kuste haar en zat uren bij haar, liefde, zorg, kalmte over haar uitstralend en het ontruste gemoed bedarend.

— Wat is er toch nu weer gebeurd?

— Een brief van ....

Sluiten