Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVII.

Askols atelier was 's avonds in eene feestzaal omgetooverd. Van het begin der Piazza delle Terme zag men reeds de hooge buitentrap met kleurige bollen a giorno verlicht. Maar toen Aisma de zaal binnen trad was hij verbaasd, want wat hij zag was hem eene verrassing. In de groote heldere hal zag hij, als ware het een van zijne schilderijen, een Romeinsch feest, louter toga's en palla's en bekranste hoofden, en van hedendaagsche kleeding geen zweem. Askol trad dan ook lachend op hem toe en zei:

— Zóó kunt gij hier niet verschijnen, barbaar, met uwe zwarte kleederen en uw handschoenen. En hij bracht hem in een zijvertrek, waar hij een eikenkrans om zijn hoofd wond en hem een breed gepurperde toga om de schouders wierp. Die kleeding viel den schilder niet vreemd of hinderlijk, want hij was gewoon zijne modellen zoo te drapeeren en kende nauwkeurig de snede der antieke kleederen en de wijs van ze te dragen. Al was zijn blonde knevel Germaansch, met zijn streng besneden en krachtig profiel, de eenigszins over het voorhoofd liggende haren en de eikenbladeren daarop, in den zwier waarmede hij met de hand in de zijde zich de slip der toga over den linker schouder wierp, zag hij er meer Romeinsch uit dan iemand. Zoo werd hij aan de

Sluiten