Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

162

AMAZONE.

die-zij over volken en vorsten gebracht had. In haar gelaat lag de gedachte: „ó, ik ellendige, had een woeste wind of golf mij medegesleurd, voor dat ik hem volgde." Toch bezat zij al hare fierheid, want zij wist, „dat niet zij de schuldige was, maar de goden die dit zoo hadden beschikt," en vooral de éene onweerstaanbare godin, van welke zij de aardsche afspiegeling was. Afroditè.

O, dat hij Marciana, zoo als zij dien avond was, had mogen schilderen I Dan ware zijn werk onsterfelijk.

Nu dwaalden zijne herinneringen weer naar het feest, en hij zag de schilderachtige groepen en de dansende meisjes, en allerlei gestalten gelijk hij er zoo dikwijls had geschilderd en geteekend in zijne tafereelen uit het antieke leven.

Maar éene gestalte boven allen bleef hem boeien en vervullen, die van de bekoorlijke, geestrijke vrouw, die zich meester ging maken van zijne verbeelding en gemoed, telkens meer en meer.

Hij zag rond langs zijne wanden: studies uit Pompei' en van Herculaneïsche muurschilderingen; afgietsels van de Napelsche Here en den grooten Zeus Otricoli. En ginds op dien wand weer dat Odero se potero, se non, invitus amabo.

En toch aan het wankelen — en toch . . . overwonnenl Waar is de vroegere kracht, door ondervinding geschonken? Opent u weder, oude wonden, om weer opnieuw te doen leeren en inzien. Schrijnt

Sluiten