Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMAZONE.

173

knabbelen akanthusbladen en gevoelen zich Korintisch opgevoed door het sierlijke blad dat het klassieke kapiteel omwond. Soms ziet men kudden van ossen, allen parelgrijs; geen enkele is gekleurd. De weg is omzoomd met lage muurtjes van groote blokken tufsteen, begroeid met akanthus, purperen klaprozen en convolvulus. Vlinders fladderen daarover en tegen de zongegloeide muurtjes schieten talloos de rassche, slimme hagedissen voort.

Enkele malen komt men een kar tegen met de driehoekige huif van schaapsleder, of eene kudde der „züverharige" runders van Vergilius, geleid deer eenen ruiter met een langen stok dwars over den zadelknop; of een postwagen vol landvolk.

— Daar heb je de Soracte in de verte, zei de heer van Walborch, vides ut stet Soracte

— Nu niet alta nive candidum, vulde Aisma aan.

— Ahlgij hebt uw Horatius ook bij de handl

— Hoe zou men hier niet aan hem denken, nu wij de bergen zien waar zijn Sabijnsche landgoed lag, en de wateren van Albulae, en nu wij naar zijn Tibur gaan.

— Zegt zulk een oude dichter dat nu heusch mooier dan gij het zelf zoudt zeggen in uwe taal? vroeg Ad» met eene onverschillige twijfeling.

Marciana lachte luid, doch de heer van Walborch vond het maar half gepaöt.

— Natuurlijk, antwoordde hij een weinig knorrig, zulk een zin van Horatius is als een antieke munt, zoo fijn gesneden in edel metaal.

Sluiten