Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

180

AMAZONE.

supinum, waar hij de villa's bezocht van zijne vrienden Munatius Plancus en Maecenas:

Tiburs bosschen en ooftgaard,

Bloeiend, besproeid van het stroomende water.

Zoo als de heldere wind van het Zuiden den

donkeren hemel Opklaart, niet steeds stormen de buien, Denk ook zoo met verstand de bezwaren des

levens en onlust, Plancus, met streelenden wijn te verdrijven.

Hier zag hij dezelfde „dichtgekruinde boomen \ dezelfde „popels met slingers van wingerd gehuwd", en „den stortenden Anio", praeceps Anio, ginds vlietend langs des dichters kleine villa bij Tibur en verder langs zijn landgoed in het Sabijnsche gebergte; dat buiten waar het zoo zoet was aan den grazigen oever te liggen, ver van het stadsgewoel, of onder de schaduw bij de bron, waar „babbelend uit opwelt het kristallijnen vocht, murmelend zoo lief als de zoet lachende Lalage."

Daar puurde de dichter poëzie, als de bij uit de tbijm, ciseleerde hij, aan Tiburs vochte oevers, wat zijn bescheidenheid de zangen van den nederigen dichter noemde.

Dit alles klinkt in zijne taal zoo heerlijk als muziek; elk woord, een juiste, uitgekozen toon, geschakeld aan het nevenwoord en samen een rhythnte vormend als zang en eene ode als een juweel van Cellini. Als eens die taalmuziek begint, sleept zij u

Sluiten