Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AMAZONE.

205

moed doen trillen; Marciana, ik begrijp en bewonder u; uw gedachten zijn de mijne, uw verbittering de mijne, uw droomen en wenschen de mijne; die droom van hooger levea, van groote, almachtige liefde, van poëzie is de mijne; ik zoek ook naar dat hooger bestaan dan dat gewone; onze zielen zijn nauw verwant. Marciana, heerlijk wezen, vol poëzie en schoonheid 1

— Stel mij niet zoo hoog, zei ze onthutst, ik zou daaraan niet beantwoorden; ik zou uw ideaal vernietigen. Ik ben misschien niet zoo als gij denkt. Zij hebben mij in mijn jeugd altijdeen vreemde verschijning genoemd: mijn schrift heette niet vrouwelijk, mijn heele wezen te mannelijk, niet lief genoeg, in den slappen zin; toch ben ik ook maar een vrouw. Ik heb al dikwijls beproefd mijn karakter te ontleden. . . ,

— En wat dacht gij dan van u zelve? Toe, zeg het mij eens.

Marciana lachte en met een plotselinge opvlamming alle beschroomheid ter zijde zettende, zeide zij;

— Wel, — ik geloof dat ik misschien ook vrouwelijk zacht en teeder zou zijn, als ik niet geleerd had dat dit een zwakheid en een gebrek is. Toch geloof ik dat mijn kracht geen ruwheid is; ik heb een afkeer van alles wat niet fijn is. Ik ben een wezen dat behoefte heeft aan menschen, levendigheid, boeken, muziek, aan een rijk, vol artistiek leven. Ja, soms dacht ik dat ik behoefte had aan de innigheid en eenswillendheid, als ik dat woord mag maken, van een hart even jong en wild als het mijne, maar

Sluiten