Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

240

AMAZONE.

Askol was verbaasd en een weinig onthutst, maar antwoordde kortaf zonder bedenken:

— Voor dat beeld, neen meneer, dat is niet waar.

— Gij zegt een onwaarheid; ik weet het zeker. Den beeldhouwer steeg het bloed naar het hoofd

en zijne oogen vonkelden.

— Geef mij uw hand er dan op, dat het niet waar is.

— Mijnheer, gij hebt geen recht dit te vorderen. Wat ik zeg moet genoeg zijn. Mevrouw van Buren mag over zulk een onderwerp geen punt van discussie tusschen ons zijn; dat is beleedigend voor haar.

— Als het waar is, is het beleedigend voor mij.

— Mijnheer Aisma, zei Askol na eenig bedenken, kalm en koel, — na zulke voorafspraken zijn wel eens beleedigingen gevolgd, die weer anderen gevolgen na zich sleepten — gij zijt driftig en ik ook; maar — gij zijt een man en ik ben het ook, ik vind het niet noodig da wij tot dwaasheden komen. Wie daardoor zou worden benadeeld is noch gij noch ik, maar die vrouw. En zij staat te hoog om door ons in opspraak gebracht te mogen worden. Dus — geen woord meer daarover, en laat de zaak hierbij blijven.

Aisma was in twijfel en verwarring; toorn, zekere schaamte over Askols kalm en waardig woord, onzekerheid, het besef dat hij geen recht had om eene verklaring te vorderen, dat alles voelde hij en, schoon onwillig, hij begreep dat er nu niets anders

Sluiten