Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

246

AMAZONE.

— Aisma, ik heb mij nooit verschuild, zei ze fier, wat ik ben, heb ik altijd durven toonen. Maar ik ben nu eenmaal zóo; ik heb geen liefde voor Askol, al vind ik hem prettig en lief, maar ik zie geen reden om hem door deftigheid op een afstand te houden; ik heb behoefte aan leven en vrijheid en vroolijkheid. Vindt gij dat coquet? Ik wil niet behagen om iemand ongelukkig te maken of om de laffe overwinning, maar omdat ik nu eenmaal niet onbehagelijk wil zijn, voila. Ik wil vrij zijn. Maar gij' zijt jaloersch en heerschzuchtig. Ge weet dat ik je . . . van harte gaarne mag; maar je bent heftig — en ik ben ook niet van was — laten de twee locomotieven niet tegen elkander botsen — dat zou maar ongelukken geven.

Marciana was op eene bank gaan zitten; over haar schoon gelaat kwam eene uitdrukking van diepen weemoed; hare borst zwoegde, zij moest met geweld zich meester blijven om de tranen in te houden, en haar keel werd als verstikt. Eene gedachte rees op, bijna machtiger dan zij: O, als ik nu toe kon geven, misschien zou ik gelukkiger kunnen zijn. Maar toegeven, dit was nu eenmaal haar zwak, dat kon zij niet, hare fierheid werd harde trots, het zelfbezit omschorste haar hart met ijs; buigen is zwakheid.

Aisma was zijne aandoening niet meester.

— O, Marciana; gij, gijl Ik had u mijn alles willen wijden, mijn talent dat gij verhoogen zoudt; mijn leven zoudt gij heerlijk maken en het uwe, het uwe immers ook. Doe die gevloekte halsstarrigheid van

m

Sluiten