Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVII.

In opgewekte stemming ging hij uit en het scheen hem of alles vroolijker was en meer levend op de straten. Hij was geheel overrompeld geworden en had geen tijd van nadenken gehad en geene stemming gevoeld om terstond na te denken. Nu kwamen er toch eenige nagedachten zijne stemming kruisen. Eigenlijk wist hij het rechte toch niet, dat moest hij wel ontwaren; de nevel was verscheurd, maar duidelijk was alles hem toch niet. Ja, hij begreep dat hare ziel door dezelfde slingeringen was bewogen, die hem hadden beroerd, dat zij nu tot het bewustzijn was gekomen dat hem zeiven eerder was verrezen; dat zij leed voelde over haar toon en houding tegenover hem, dat zij hare neiging niet ontveinsde. . Zoo peinzende hoorde hij op den hoek eener straat zijn naam roepen en stond plotseling voor Salviati met den beeldhouwer. Tot ontwijken geene mogelijkheid.

— Ho, riep Salviati, onze vriend is blij u te ontmoeten, Aisma; er kan geen misverstand meer zijn, hoort gij?

— Mijnheer Aisma, zei Askol, mevrouw van Buren heeft mij gevraagd dat ik u de hand zou reiken en u verzekeren dat er voor eenige gevoeligheid bij u volstrekt geen grond bestaat, — ik wil dat gaarne doen.

Aisma zag hem aan; er was in de oogen des beeld-

Sluiten