Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37

maal een wezen moeten verschijnen, dat nog sterker staat tegenover het leven, dat nog beter georganiseerd is dan de mensch. De menschen op dien weg te voeren, aan welks eindpunt titanen en halfgoden wenken, dit is een zoo grootsche taak — aldus denkt Nietzsche — dat men daarbij gerust de eischen van religie, moraal en geweten, terzijde mag stellen. Hoe meer de boosheid uitbreekt, destemeer zal de kracht en de energie tevoorschijn treden, die den „oppermensen" kunnen kweeken. Daarom gebiedt Nietzsche aan zijn discipelen: „Wordt hard" — laat u niet meesleepen door verzwakkende gevoelens van sparende teederheid." Een wreede theorie i

Alzoo triomfeeren niet de goeden, maar de sterkeren, de roofgierigen, de woekeraars!

De liefde en de waarheid moeten vluchten en plaats maken voor geweld en ondeugd. Dionysios, de tiran van Syracuse, Herodes de Groote, Nero, Cesar Borgia — dat zijn de „helden der menschheid", de herauten van het Nietzschianisme.

Maar — dit wangroeisel van het moderne denkgenie nu eens daargelaten — waar blijft het geluk, dat de wetenschap beloofd had aan alle leden van het groote menschengezin ? Waar blijft het voorspelde, algemeene altruïsme? Waarom brengt de wetenschap, tegelijk met den kultureelen vooruitgang, ook niet tevens een korrektie van de zeden? Waarom wiedt ze met haar technisch volmaakte wapenen niet ook de wortels der boosheid uit?

Ach, dat is haar zaak niet!

De wetenschap is koningin op een heel ander, een veel kleiner, en minder belangrijk, gebied dan dat der moraal.

Zij kan gietijzer pletten tot staal, zij kan diamanten kloven, maar een in wreedheid verharde menschenziel verbrijzelen of verteederen kan zij niet.

Al die roemrijke uitvindingen, wat zijn ze tenslotte mach-

Sluiten