Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mensch is een in den hoogsten graad samengesteld wezen.

Hij komt ter wereld met een massa neigingen, hartstochten en behoeften, machtig en groot naar hun eigenschappen, maar ook naar de intense en onbedwingbare kracht, waarmee zij telkens zich baan breken.

De mensch heeft geestelijke behoeften, namelijk intellektueele, aesthetische en zedelijke; maar nog sterker zijn de physteke, lichamelijke, behoeften en driften.

De vervulling van deze laatsten brengt den mensch slechts tot een vegetatief, of dierlijk, Jeven. Hier zijn geen hoogere idealen. In den strengstèn zin is dit geen echt leven, maar vegeteeren. Het is de ruwe, laagste, levensvorm.

Door de vervulling echter van zijn verstandelijke nooddruft wordt de mensch in staat gesteld zich in het leven te orienteeren.

Met zijn alles dóórzoekenden geest bouwt hij, van geslacht tot geslacht, steeds hooger, zijn wetenschap op, en leert hij al duidelijker kennen het heelal, de arena van zijn arbeid. Hij leert zijn gaven en kapaciteiten toetsen, scherpen, en verkrijgt daardoor allangszoomeer de heerschappij over de vermogens der natuur.

Maar dit is niet genoeg.

De mensch is niet slechts toeschouwer bij het werelddrama, dat zich voor zijn oog voltrekt. Hij is zelf de medewerker in het grootsche spel. En het is een zeer ernstige, beslissende, vraag, welke rol hij kiezen moet: die van een edelen held, van een onbaatzuchtig, zich voor de gemeenschap offerend,

De moderne mensch

Sluiten