Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer, naar het woord van David, het de dwazen zijn, die zeggen in hun hart, dat er géén Qod is, — dan zijn zij, die in den weg van logische redeneering de ongeloovigen meenen te kunnen overtuigen, eigenlijk niet veel verstandiger dan deze dwazen.

Bewijzen aanvoeren op het gebied van geloof en religie, is een ondankbare en twijfelachtige zaak. Het is even bezwaarlijk als aan een stekeblinde de verheerlijkte schoonheid van een madonna van Rafaël duidelijk te maken, of aan eenstokdoove de bekoring van de melodieën van Rossini en Mozart

De blinde, zoowel als de doove, zullen u wellicht op uw woord gaarne gelooven, u toestemmen, dat de geschilderde werkelijkheid bestaat, — maar het wordt nooit hun ervaring, en dus niet hun eigendom.

Zoo is het ook met de waarheden des geloofs.

Men moge voor een schare van ongeloovigen een rei van de meest schitterende en onweersprekelijke bewijzen uitstallen, om de waarheid der religie aannemelijk te maken, — het zal hen geen streep dichter bij het geloof brengen.

Ze zullen waarschijnlijk toegeven, dat het geloof redelijk is, — maar tot de daad des geloofs zullen ze de kracht missen. *)

') De schrijver schijnt te behooren tot hen, die de apologetiek (verdediging der waarheid) van nul en geener waarde achten. Wij veroorloven ons echter de opmerking, dat het een eigenaardigheid van het ongeloof is zich door verstandelijke argumenten te sterken, hoewel het ongeloof zelf een zaak van het hart is. Gelukt het u die palissaden van verstandelijke overwegingen te verbreken, zoo ligt in ieder geval de weg tot geloof open. Wie toegeeft, dat het geloof niet onredelijk is, is in zekeren zin nader gebracht tot God. Het is een overwinning Gods (hoewel niet de absolute!) in de ziel. W.

Sluiten