Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

72

De redelijkheid van het geloof te erkennen en zelf werkelijk te gelooven, — dat zijn twee verschillende dingen.

Het ééne is voorwerp van het oordeelend vermogen, het andere een voorwerp van den wil des harten. Men kan iets toestemmen, maar weigeren naar dat inzicht te handelen. Voor het geloof is niet slechts noodig de rede, maar wat Jezus noemt: het liefhebben en aanhangen van God met geheel het hart en met geheel de ziel.

De wijsgeer Fichte zegt: „Ons gedachtensysteem is dikwijls slechts de geschiedenis van ons hart," — d.w.z. de menschen willen niet iets, omdat ze het zóó denken, maar ze denken het zoo, omdat ze het ook zoo willen.

Daarom is ons geloof of ongeloof meestal slechts de weerspiegeling van onze zedelijke gesteldheid. Jezus heeft van uit dit standpunt het ongeloof van zijne tegenstanders, de Schriftgeleerden en Farizeeërs, beoordeeld. Hij zeide tot hen: „Gijlieden zijt van beneden, ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, ik ben niet uit deze wereld. — Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt." ')

Het christendom is de katholieke godsdienst in den meest volstrekten zin van het woord, het heeft tot program de verlossing van de geheele wereld, want het gaat uit van de gedachte, dat de geheele wereld in het booze ligt.

In Jezus' prediking is dit het hoofdthema: verlossing uit het booze I — en die menschen, welke dit verstonden, welke leed droegen om het booze, en zich niet bevredigd zagen door de heerschende levensstroomingen, — luisterden naar Jezus en volgden hem.

') Een zéér sprekend woord, waaruit blijkt, dat Jezus het verstand (althans in dit speciale punt) afhankelijk stelt van den wil, is Joh. 7:17, „Zoo iemand wil Gods wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of ik van mijzelven spreek." W.

Sluiten